1e boek "Germania's dilemma"
1e deel "De vooravond van de Profetie"
Proloog
De vreemde keek achter zich.
De wildernis om hem heen was verlaten. Nergens een achtervolger te ontdekken. Hij was alleen. Gelukkig maar. Voor zich lagen de Noordelijke boerendorpen, ver verwijderd van de grote stad Brugge. Hij jakkerde zijn paard fel aan en schoot in enkele tellen het eerste dorp voorbij. Hier in de verre noordelijke contreien van Germania was het riskant om verhuld door dorpen te rijden. De boeren waren hier erg dol op hun gewassen en beschermden het ook met hand en tand. Eens per maand kwam het voor dat een ruitermacht uit Brugge patrouille hield in het koude noorden, maar de vreemde wist zij nooit vaak zover naar het noorden reden.
Eens had hij ergens op een kaart gezien dat er een aantal dorpjes waren. En ergens midden tussen al die dorpjes, had hij een ontmoeting. Een ontmoeting die opmerkelijk was in de geschiedenis van zijn volk. Een ontmoeting tussen twee soorten, die dezelfde Godheid aanbaden.
Terwijl de winter hier stevig huishield, bleef hij kalm en reed over de kale, witte akkers. Nergens een teken van werkzaam leven te zien, behalve de rokende schoorstenen van de huizen en boerderijen van de omringende dorpen.
Halverwege zag hij twee vreemden staan, gehuld in zwarte gewaden. Hij kon niet zien wat voor figuren zij waren, want zij droegen kappen over hun hoofden. Ze waren in elk geval langer dan hij, zeker bijna 7 voet en hun lichaam was slank. Hijzelf was 6 voet lang en gedrongen. De twee vreemden hielden hun omgeving strak in de gaten, alsof ze het gebied wantrouwden. Hijzelf wist wel beter.
Er was wel een graafschap in een van de grotere dorpen, maar die hadden te weinig getrainde soldaten voor een gevaarlijke situatie.
'Waar bleef je nou!' brulde een van hen.
'Ja!' riep de ander en hief zijn armen. 'Mijn Heer vindt het maar niks te moeten wachten!'
'Ja ja.' bromde hij en steeg af. Het accent van de vreemden kwam uit het zuidwesten, zo vermoedde hij. 'Ik moest een omleiding maken, zo doende.'
'Dat zal wel.' siste de ene met woede in zijn stem. 'U had mij bericht gedaan over een voorstel. Een duister voorstel. Ik luister naar uw woord.'
'Goed. U hebt haast, hoor ik. Al vierhonderd jaar hebben wij ons verstopt in de krochten van de aarde. Nu vindt mijn Opperheer het tijd om uit de duisternis te treden en de schuldigen te straffen.'
'De Mensen.' bromde de ene vreemde met een vreemde keelklank.
'Mijn Opperheer heeft genoeg manschappen om een stad te belegeren. Maar het gaat mijn Opperheer niet alleen om de Mensen.' Zij luisterden aandachtig naar zijn woorden. 'Mijn Opperheer wil geheel Arvalü. Voor de Ene.'
'De Ene.' gromde de vreemde opnieuw.
'Mijn Opperheer speelt graag Moc-Holl. Hij heeft al diverse pionnen uitgezet, maar nu zet hij een paard in. Dat paard beweegt zich langzaam, maar zeker richting de koning.'
'Schaakmat.' gromde de vreemde. 'Mijn Heer wil ook uit de schaduwen treden. Misschien is dit wel een goed moment om een verbond aan te gaan.'
'Een bloedverbond!' viel de ander hem bij.
'Ja!' zei hij grommend en balde zijn vuist. Hij trok een dolk en keek er grimmig naar. 'Een dolk tekent het verbond, twee handen vol bloed die elkaar grijpen.' Hij trok de dolk over zijn hand en gromde vol pijn, toen uit zijn hand rood bloed droop. Toen gaf hij de dolk aan de vreemde. De hand die uit het zwarte gewaad stak, was leerachtig en donker. Het lemmet van de dolk sneed een snee en verscheen groen bloed.
'Bloedbroeder!' brulde hij. Hij stak zijn hand toe.
Ineens uit het niets stortte een van de twee vreemden dood ter aarde. Er stak een pijl uit zijn hoofd en de grond onder hem kleurde groen. De andere keek hem strak aan. Hij gromde woest. Op de achtergrond hoorden zij het gehinnik van een paard.
'Verrader!' riep hij uit. 'Voor de Ene? Jullie zijn verraders, jullie allemaal! Dit zal ik melden aan mijn Heer! Ashartu!'
De vreemde nam de benen en rende in een snel tempo weg. Er schoot een pijl langs hem heen en hij zag hoe de pijl de vreemde velde. Hij rolde over de kop en bleef stil liggen.
Voor hij er erg in had, was hij omsingeld door zeker honderdvijftig ruiters, allen gewapend met speren, bogen en zwaarden. Het waren Bruggiaanse ruiters. Hun aanvoerder, een blonde bebaarde man met een gouden borstkuras en zilveren maliënkolder, kwam nader.
'Wie zijt gij?' vroeg hij streng, maar vastberaden.
'Niemand.' zei de vreemde bits.
'Wel, Niemand, ik vraag u nog eens. Wie zijt gij?' De toon was nu strenger.
'In wiens naam vraagt gij dat?'
'In den name van de prins van Germania. Antwoord.' Hij legde de nadruk door zijn hand op het gevest van zijn zwaard te leggen.
'Vildrain is mijn naam. Ik reis noordwaarts.'
'Koopman?'
'Ja.' knikte Vildrain.
'Toon uw gezicht.' sprak iemand uit de ruitermacht. 'Ik beveel u.'
'Wie sprak daar?' vroeg hij en zocht naar de spreker.
'Ik, de prins van Germania.' zei een jongeman van circa negentien jaar.
Vildrain schudde zijn hoofd.
'Doe uw kap af. Of wij doen het met uw hoofd erin!'
Morrend deed Vildrain zijn kap af. Hij had een afgetobt gezicht met een open liggende kin. Zijn haren leken vies en grauw. En de vreemde stonk.
'Wat waren die twee van plan?'
'Geen idee.' zei Vildrain schouderophalend. 'Ze wilden mij overvallen, maar God zij dank hebt u mij gered. Mijn dank is groot.'
'Wij hoorden u praten over een verbond tegen de Mensen. Klopt dit?' vroeg de prins.
De reiziger werd bleek, en twee tellen later werd zijn gezicht rood van woede.
'De waarheid is, prinsje, dat ik mijn mond gesloten houd!’ bulderde hij uit, ‘Martel me maar! Snij ledematen af! Ik zal zwijgen als het graf! Je seniele pappie zal sterven! En jij ook! Jij hoerenzoon, uitgespuugde bastaard! Het einde voor de Mensheid is nabij!' En Vildrain maakte zich los van de ruitermacht en vluchtte met een vreugdekreet richting de bergrug. Boris, de man met het gouden borstkuras keek de prins aan. Hij knikte. Boris wenkte een boogschutter. Hij zette een pijl op zijn boog, spandde hem en liet de pijl aan. In een vloeiende lijn trof de pijl de gierende Vildrain, die over de kop sloeg en daar stil bleef liggen.
Een soldaat bracht bericht uit aan de prins en Boris.
'De twee vreemden zijn niet menselijk, sire. Hun huid is donker en hun bloed is groen. Groen, zeg ik. En dan die afzichtelijke lange oren. Krijg er de kriebels van als ik naar ze kijk.'
'Die Vildrain lijkt me ook niet een mens toe,' zei de prins. 'alhoewel ik gezien heb dat hij rood bloed heeft. Ik zal dit voorleggen aan de Koninklijke raad en mijn vader.'
'Het zijn vage lui, wat ik brom.' zei Boris en keerde zich om.
De ruitermacht vervolgde zijn weg zuidwestelijk, richting de grote stad Brugge.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten