Over mij

Mijn foto
Workum, Friesland, Netherlands
Ik ben Feike Dijkstra, ben een gescheiden vader van 27 jaar en woon (en werk) in Workum. Bij het biologische akkerbouwbedrijf It griene strân (Het groene strand) ben ik verantwoordelijk voor alle dagelijkse klussen, zoals zaaien, oogsten, schoffelen en vrijhouden van onkruid, planning en onderhoud van de machines. Je zou zeggen: erg druk dus....ja, inderdaad, ik werk meestal van zeven uur 's ochtends tot de klok van vijf uur 's middags....ben ik dan moe? Ja, maar wel zeer voldaan. En dit vanaf Maart/April tot ver in November. Elke week schrijf ik een column over het reilen en zeilen van het akkerbouwbedrijf. En die zal ik in deze blog publiceren, wat voorheen alleen nog in de wekelijkse Nieuwsbrief van Gezond gemak verscheen.

zaterdag 7 januari 2012

Hoofdstuk 2 (1.1)

2
Rook kringelde uit een schoorsteen.
Al vier eeuwen was Willems-Stad het hoofdstuk van het koninkrijk Germania. Vanaf het begin der tijden kampten de Mensen met een groot probleem. De grote rivier Balkabûr trad 's winters buiten zijn oevers en dwong de Mensen de hoger gelegen gebieden op te zoeken. In het noorden, waar het land hoger lag, werd een stad gebouwd. Het werd Brugge genoemd, wat in de oude Mensentaal "Veil'ge haven" betekende. Maar na een paar eeuwen was de stad overbevolkt. Naast de vele aanvallen van de Iralen ontstond er chaos in de stad. Er waren veel schermutselingen, vele branden en er werd gemoord. De koning des tijds organiseerde een volksverhuizing en duizenden Mensen trokken zuidwaarts.
In een oud, opgedroogd meer wierp men een nieuwe stad op. Een aftakking van de Balkabûr liep door het ondiepe meer. Door middel van sluizen en gemalen werd het water weggepompt en schiep men een kanaal met verhoogde kanten. De nieuwe stad werd Madanier genoemd.
Geen jaar nadat de nieuwe stad voltooid was, vertrok koning Willem I uit Brugge en  vestigde hij zich met zijn gezin en gevolg in Madanier. Al gauw begon men de stad uit te breiden. Dit had tot gevolg dat de armere bevolking en de rijkere klasse naast elkaar leefden. Dit bracht nogal wat problemen met zich mee en koning Willem I liet een apart wijk bouwen met muren erom heen, om zo rijk en arm van elkaar te scheiden.
De grote ringmuur was opgetrokken uit een sterke, onbekende steensoort die overdag grijs kleurde en in de avond wit glom. De muren waren vele meters dik, tien meter hoog en beschermden de stadbewoners tegen vijandelijke aanvallen. De poorten waren bovendien versterkt met torens aan weerszijden, waar boogschutters de weg bewaakten. Overdag van zonsopgang tot zonsondergang stonden de poorten open. Daarna moest men kloppen en hopen of men opende.

De gardisten op de ringmuur bij poort Noord hadden de Stadhouderskoets gesignaleerd. Er werd direct geroepen en soldaten sprongen opzij, terwijl de koets doorreed.
Bell zuchtte. De koetsier reed nu wat rustiger. Hij wreef over zijn pijnlijke handen en keek uit over de dicht bevolkte stad. Vele huizen in de armere wijken waren in erbarmelijke staat. De laatste onderhouds beurt aan de huizen was niet door de huidige generatie voltrokken. Gebouwen stonden zo dicht op elkaar dat het leek alsof ze tegen elkaar leunden. Er hingen diverse uithangborden van kroegen, smidsen, hoerenkasten en timmerlieden aan de gevels. Arme koopmannen die hun waar probeerden te verkopen voor een beetje geld, kinderen die met elkaar speelden en najoegen. De kinderen liepen in vodden en de koopmannen liepen er ook niet bepaald goed bij, zo vond Bell.
Links van de koets lag het de rivier de Kalmoes, die door de stad stroomde en rechts een meter lager stonden de huizen. Reden zij over lucht? dacht Bell. Toen keek hij achterom. De weg lag bovenop de verhoging en ook aan de andere kant. Bell wist dat er twee bruggen in Willems-Stad waren. Kalton en Brand. Brand was niet ver meer en Kalton lag aan de andere zijde van de stad.
Binnen twee minuten waren zij aangekomen bij de brug genaamd Brand en de koets sloeg met een scherpe bocht linksaf. Bell greep als een gek de handvaten en hield vast, terwijl zijn voeten buiten de koets hingen.
Na een minuut sloeg de koetsier scherp rechtsaf en stoof richting het paleis van Willems-Stad. Voor het paleis lag de Wilde hoeve, een grasveld bezaaid met grote en kleine scherpe rotsen links en rechts van de weg. De opzet van de Wilde hoeve, was een oprukkend leger te vertragen met grote en klein rotsen en zo de koning en zijn gevolg te laten evacueren.
De poorten werden open gegooid en de koetsier trok de teugels aan. De paarden liepen nu in draf en Bell keek om zich heen. Vijftig meter na de eerste muur was een tweede muur gebouwd. Tussen de muren in stond geen gebouw of enig ander voorwerp waar men achter kon schuilen. Bell had veel vreemde bouwwerken gezien, maar het paleis was wel een vreemd, maar slim bouwwerk.
De tweede poort ging open en de koets reed nu een gesloten binnenplaats op. Bell bekeek de binnenplaats aandacht. In het midden van de binnenplaats stond een grote fontein, versierd met stenen bloemen, halfnaakte vrouwen die water uit een pot lieten stromen. Er waren diverse poorten. Links van Bell zaten twee grote deuren met een hoefijzer erop gespijkerd. De wapenknecht wist dat daar de stal met de paarden en de rijtuigen waren. Voor hem was een grote deur, die half open stond. Erachter lag een lange gang en een trap aan het einde. Er stonden aan weerszijde van de deur twee soldaten, gewapend met een hellebaard en een zwaard aan hun zijde. De mannen droegen allen een maliënkolder en een stompe helm. Over hun maliënkolder droeg men een blauwe mantel en een medaillon. Het waren soldaten van de Koninklijke garde, die stuk voor stuk waren geselecteerd uit de beste soldaten van het Koninkrijk.
Er kwam een oude, gekromde man uit de lange gang gelopen en liep recht op de koets af. De man was netjes gekleed en droeg een lange zwarte colbert met een gestreepte katoenen broek. De oude man droeg geen wapenuitrusting, maliënkolder of wapen. Slechts een gouden ring aan zijn rechter hand sierde zijn zwarte kleding. Zijn witte haren waren flets en lang.
De man opende de koetsdeur en de prins stapte uit.
'Hoogheid,' sprak de man met een schrapende stem, 'welkom terug in Willems-Stad. Fijn u weer te zien.'
'Insgelijks, Jaspers.' antwoorde Willem V en kuste het voorhoofd van de oude man.
'Hoe ging de reis, Sire? Bent u al wat meer te weten gekomen? Hoe was het in Brugge?'
'Zo!' riep de prins lachend. 'Wat een vragen. Het ging goed, Jaspers. Ik moet alleen mijn vader snel spreken. Ik heb urgente zaken die hij moet horen.'
'Uw vader verwacht elk moment een gast, Sire.' zei Jaspers en ging de prins voor. 'Let een beetje op uw woorden, prins. Uw vader heeft visite gehad van Vader Calleni. Het gesprek dat zij hadden liep niet bepaald goed en uw vader heeft de Vader nogal beledigd, geloof ik.'
'En daarmee dus de hele Kerk.' zuchtte Willem V. 'Ga mij voor, mijn allerbeste gewaardeerde Jaspers.'

Bell kroop van de koets en zag prins Willem V achter de oude man lopen, die zich richting de gang begaven. De knecht keek rond. Rechts zag hij een grote eikenhouten deur met een gouden kroon erop afgebeeld. Net als bij de andere deur stonden hier ook twee soldaten van de Koninklijke garde en hielden strak de wacht. De zwarte koets reed om de fontein heen en verliet het koninklijk paleis.
Bell maakte aanstalten om de prins te achtervolgen, toen een lakei hem halt toe riep.
'Jij bent de wapenknecht van de prins?' vroeg de lakei. Bell knikte. 'Je aanwezigheid in de Grote hal is ten strengste verboden, tenzij je geboden wordt. Ga maar naar de keuken, daar zal Meester Jaspers je verder instrueren.' De lakei ging Bell voor en liep naar een hoek waar hij een wenteltrap afliep. Bell had deze wenteltrap niet eens opgemerkt. Hij grinnikte.
'Wat is er zo grappig?' vroeg de lakei.
'Niks.' zei Bell. 'Binnenpret.' En het was stil, op de zware lederen laarzen van de knecht na.

Aan de andere kant van de lange gang lagen diverse zalen, waaronder de grote Raadszaal en de Grote hal. De Grote hal was de troonzaal van Germania en hier troonde de koning. De troonzaal was zeker honderd voet hoog, vijftig voet breed en honderdzesenzestig voet in lengte. Een imposante collectie van beelden van oude koningen sierden de vele pilaren. Aan het eind van de Grote hal stonden op een verhoging twee gouden tronen en er tussen in een zilveren schede die uit de grond stak. In die schede stak een gouden zwaard met een heldere groene edelsteen op het gevest.
Koning Willem IV zat in gedachten en staarde naar de lege troon naast hem. Het was alweer vijftien jaar geleden sinds zijn geliefde vrouw in haar kraambed overleed. En hem een levenloos meisje in de handen werd gedrukt. Ze werd Rosa-Arva genoemd en samen met haar moeder bijgezet in de koninklijke graftombes onder de Grote hal. Via een deur achter de tronen kon men bij de graftombes komen. Het afscheid nemen deed hem nu na al die jaren nog steeds veel pijn.
'Hoogheid.'
'Ja, Jaspers?'
'U hebt bezoek.'
'Mooi zo.' Koning Willem IV keek op. 'Wie is onze gast?'
'Uw zoon, Sire.'
'Mijn jongen?' Hij stond op en omhelsde zijn zoon innig. Toen nam hij zijn zoon in ogenschouw. 'Je bent groter geworden. En sterker. Hoe ging het in Brugge? Hebben ze je goed behandeld?'
'Ze hebben mij uitstekend behandeld, vader. Die jaren van training heeft me goed gedaan. En Bell ook.
'Bell? Wie is Bell?'
'Bell is mijn wapenknecht, vader.' zei Willem V en keek achter zich. 'Hij was hier nog net. Maar goed. Fijn u weer te zien, vader. Hoe staan de zaken hier ervoor?'
'Ik verwacht zo een gast, zoals je waarschijnlijk al zou hebben gehoord.'
'Hoorde ik al, ja.' zei Willem V en knipoogde naar Jaspers. De oude man werd weggeroepen en liep de troonzaal uit. 'Ik heb een aantal zaken met u te bespreken. Urgente zaken, vader.'
'Later, mijn zoon.' zei zijn vader. Jaspers kwam weer terug. Achter hem liep een dertig jarige man. Hij had een gitzwarte snor en heldere, bruine ogen die vastberaden keken. Hij droeg zwarte lederen reiskleding en een bruine mantel en kap. Op zijn rechterwang had hij een fors litteken.
'Heer Henry Van Zwijnenburg, hoogheid.' zei Jaspers de vreemde gast voorstellend. Henry zakte door zijn knieën en boog diep. De koning ging staan en prins Willem V en Jaspers gingen opzij en lieten de koning bij zijn gast. Hij legde zijn rechterhand op de schouders van Henry en sprak: 'Welkom in Willems-Stad. Sta op.' De stem van de koning was kalm, maar streng.
'Laat ons nu alleen.' zei de koning tot zijn zoon en Jaspers.
'Vader, ik wil nog iets met u....' begon Willem V, maar hij werd door zijn vader onderbroken.
'Later, zegt ik. Ga!' De strenge wijsvinger wees in de richting van de Raadszaal. De prins liep morrend de Grote hal uit, gevolgd door de sloffende Jaspers.

'U wilt gaarne mijn adviseur worden, heer Henry?'
'Ja, Sire.'
'Hebt u vaker vorsten geadviseerd?'
'Nee, geen vorsten, wel anderen met hoge functies.'
'Denkt u in staat te zijn mij te adviseren en zo het koninkrijk door goede banen te leiden?'
'Ja, dat denk ik.'
'Mooi zo.' De koning glimlachte. 'Morgen komt mijn raad bijeen. Ik zal u voorstellen aan de raad en indien zij toestemmen, zal u beëdigd worden als Adviseur des konings. Naast adviseur bent u dan ook voorzitter van de raad en behoort u alle nieuwtjes en problemen te verzamelen en met de raad te overleggen. Ben ik duidelijk?'
'Helemaal, hoogheid.'
'Goed. Op uw weg terug vindt u Jaspers, die zal u uw kamer wijzen.'
'Dank u, hoogheid.' Henry boog en liep weg. Na een paar stappen bleef hij staan. 'Hoogheid? Ik heb nog een brandende vraag.'
'En die brandende vraag is?'
'Is er hier een Kerk waar ik kan in gebed kan komen? En met een heilige kan spreken?'
'Een Kerkvader? De St.Dumordus is aan de andere zijde van de Kalmoes. Jaspers laat je er wel heen brengen.'
'Dank u, hoogheid, voor uw tijd.' En met een korte buiging verliet Henry de troonzaal.
Koning Willem IV ging kalm op zijn troon zitten en staarde naar de lege troon naast hem.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten