5
Badeldhân was een klein stadje, opgetrokken uit de oude stenen die men daar aantrof. De stad was al vele eeuwen oud en had al menig aanvallen te verduren gehad. Via vier wegen kon men overal in de stad komen en via een poort, gelegen op het oosten, kwam men op het terrein van St.Carlos, de grote kathedraal van Badeldhân. In rijkere tijden kwam de edelen naar de kerk om hun God te aanbidden. Naast de grote kathedraal lag het klooster van St.Carlos, waar de kloostergemeenschap aldaar woonde en in hun kleine tuinen vele groentes en ook bloemen verbouwden. Carlos, een dikke, maar vredelievende monnik, leefde driehonderd jaar geleden en leidde het gemeenschap met een eigenzinnige boodschap: “Heb lief, alles wat leeft, zorg voor hen die niet zelf kunnen zorgen en denk niet anders over anderen, opdat zij dat ook niet over u denken.” Op een plein voor de kathedraal stond een beeld van deze monnik, met in zijn ene hand een boek, in de ander een takje. Op zijn kale hoofd zat een duif te sluimeren in de middagzon.
Zo zag prins Willem V St.Carlos, de heilige monnik van Badeldhân voor het eerst.
‘Veel heb ik gehoord en gelezen over deze heilige, maar om zijn aangezicht te aanschouwen, doet mij eer.’ Zei de prins zacht.
‘Ik denk dat die duif daarzo er hetzelfde over denkt,’ zei de wapenknecht grappend. Er waren een paar gardisten die lachten. ‘Waarom heeft hij dat takkie vast?’
‘Dat takje staat voor het onschuld, mijn waarde diener.’ Zei een stem achter het beeld. ‘Carlos had alles lief en zorgde voor alle onschuldigen, met alle middelen die hij bezat.’ De stem kwam van een man, niet veel ouder dan de prins. Hij had een baard die opviel en zijn ogen waren blauw en vol kracht van geloof. ‘Ik ben Domi Emmanuel en u bent prins Willem V, zo te zien. Welkom.’ De man maakte een buiging en glimlachte.
‘Ik dank u, Domi Emmanuel.’ Zei de prins, ‘U komt op het juiste moment tot ons. We rijden naar Dorburgh, om de gevallenen te eren en de slachtoffers bij te staan.’
‘Ik ben gezonden door Vader Gardon, om u bij te staan en de slachtoffers een woord van troost te geven.’ Zei Emmanuel en liep naar twee monniken, die een paard brachten. ‘En ik zal met u meerijden.’
Zij gingen op weg, reden langs de kathedraal en het klooster en gingen door een poort, gelegen op het noorden en reden zo door tot zij buiten de stad waren. Hierna sloegen zij af naar het westen en volgden de geplaveide weg naar Dorburgh.
Dorburgh was een klein stadje, gelegen aan de grote rivier Balkabûr. Op de hogere oevers van de wilde rivier wierp men een stad op, die zowel boeren en arbeiders vestigde, als zeelieden, matrozen en het stadvolk. Er woonden in de stad twee belangrijke families, die verwant waren aan de koning, maar zich zelden met landzaken bemoeiden dan met hun eigen zaken.
Prins Willem V, Bell en Domi Emmanuel reden tussen de gardisten in en kwamen ten zuiden van de stad binnen. Net als in Willems-Stad waren hier de huizen dicht op elkaar gebouwd en leken ze elkaar te steunen. Er waren vele herbergen, kroegen en hoerenkasten in Dorburgh. Vele kroegen hadden nautische namen, zoals ’t Zwaaiend anker, Swierende giek en Kap’teins hutske. De hoerenkasten werden druk bezocht door de vele matrozen en soms ook rijkere edelen die hun ei kwijt moesten. Bell leek niet echt onder de indruk, maar op de prins en Domi maakte dit wel indruk. Veel had de prins geleerd, maar niets over het eenvoudige leven van een arbeider of matroos. In zijn ogen waren er alleen maar ridders, kloosters en koningen geweest.
Zij reden door tot aan de haven. Emmanuel hield een man aan. De man hield een half lege drankfles vast en de onmiskenbare drankkegel ontmoette de Domi.
‘Vertel mij, waarde gelovige, waar ik de plek des onheils kan vinden?’ vroeg hij zacht. De man wees naar het zuidoosten van de stad.
‘Vijf minuutjes rijden, uwe hoge.’ zei de man lispelend. En hij liep met een dronkenmans loopje weg.
Zij kwam aan bij de muur waar eerder vijf gardisten op mysterieuze wijze waren gesneuveld. Prins Willem V steeg af en liep naar de trap, die omhoog liep naar de muur. Een officier rende naar de prins en versperde hem de weg.
‘Niet doen, uwe hoogheid,’ zei de man bang. ‘Het is gevaarlijk! Deze muur is behekst! U zult daarboven sterven!’
‘Dat maak ik wel uit, soldaat.’ Zei de prins streng. ‘Uit de weg! Roep uw dienstdoende officier. Nu meteen!’ De soldaat rende weg en de prins vervolgde zijn weg omhoog.
De kantelen van de stad waren vierkant en groot. De prins ging met zijn rug tegen een kanteel staan en keek uit over de stad. Bell en Domi Emmanuel voegden zich bij hem en keken naar beneden. Er was rumoer ontstaan tussen de bijgelovige soldaten en gardisten. Enkelen keken bang omhoog naar de prins, alsof ze verwachten dat hij snel neer geschoten zouden worden. Een paar schoten een schietgebedje, in de hoop dat God hen zou beschermen. Maar anderen keken juist hoopvol, omdat naast de prins Domi Emmanuel stond, een dienaar van God en van de kerk.
Er kwam een oude veteraan de muur opgelopen. Zijn maliënkolder glom dof en aan zijn zijde hing een slagzwaard. De man had een oog verloren, maar zijn woeste baard gaf aan dat deze man menig schermutseling had overleefd.
‘Sire, het spijt mij van mijn mannen.’ Begon de man met een zware stem. ‘Ik zal de man er goed voor straffen.’ De prins stak zijn hand op.
‘De man had het recht om mij te beschermen, generaal Trandell.’ Zei de prins met een glimlach. ‘Eer hem, straf hem niet voor deze daad. Vertel mij nu wat hier is gebeurt.’
‘Wel sire,’ begon Generaal Trandell, ‘gister viel één van mijn mannen hierzo van de muur. Gardist Jorbert stond erom bekend dat hij graag een pilsje mocht nuttigen, ook binnen de diensttijd en we dachten eerst dat hij zo zat was dat hij van de muur was geflikkerd. Maar toen we pijl zagen, wisten we wel beter. Mijn onderofficier had pijl gezien en onderzocht. Vergiftigd, uwe hoogheid,’ zei de Generaal met angst in zijn ogen. ‘Een lange pijl, een punt met weerhaakies eraan en veren, zo zwart als de nacht. Een afschrikkend voorwerp zo op een avond als gister.’
‘Breng mij die pijl.’ Zei de prins. ‘Waar is uw onderofficier?’
‘Gesneuveld, tezamen met drie anderen die te nieuwsgierig waren en over de rivier heen keken.’ De prins draaide zich om en keek tussen de kantelen door naar de woeste rivier. En het donkere woud aan de overzijde. ‘Daar ligt het Duistere woud, sire. Velen die naar haar kijken, zullen sneuvelen, omdat zij haar aangezicht hebben gezien. ‘
‘Waar werden volgens u de pijlen afgeschoten?’ vroeg Bell ineens. De Generaal keek hem verbaasd aan, maar sprak: ‘De pijlen kwamen van over de muur. Er is geen ruimte tussen deze muur en de steile oevers van de rivier om een boogschutter de kans te geven zo op mijn mannen te schieten. En van over de rivier lijkt het mij ook sterk dat een boogschutter zo ver kan schieten.’
‘Die verrekte duivel van een Silverburg zal er wel mee te maken hebben!’ riep een soldaat. ‘Immers hij is een mengelmoes van een mens en een duivel. Dat soort uitschot zoekt nu eenmaal problemen!’
De prins liep weg van de muur en liep op de man af. ‘Vertel mij meer over hem.’
‘Hij is een half mens, half duivel. Hij beweegt sneller dan de snelste soldaat onder ons en is in staat te verdwijnen in de schaduw. Zwart is zijn kleding en zwart is het laatste wat je ziet, als je hem tegenkomt. Zilver is zijn wapenuitrusting en niemand ontkomt aan zijn pijlen.’
‘Weet u dat toevallig ook waar deze man zich nu bevind?’ vroeg de prins met opgetrokken wenkbrauw. De soldaat schudde zijn hoofd.
‘Weet alleen dat de kerk hem beschermt alsof het een zoontje van God is.’ Zei de soldaat met gebogen hoofd.
‘Ik weet genoeg, ga terug naar uw post. U allemaal.’ Zei de prins en keerde terug naar het gezelschap.
‘Ik snap er niks van.’ Zei hij zacht tegen Emmanuel.
‘Ik wel.’ Zei hij zacht en vervolgde: ‘Ik leg het u uit als wij in Badeldhân terug gekeerd zijn.’
De prins en Domi Emmanuel liepen naar de tent met de slachtoffers en spraken met hen. Vele waren bang en durfden niet meer de muur te beklimmen, in de angst dat zij het zelfde lot zouden krijgen als hun broeders.
Kort erna vertrokken zij weer terug naar Badeldhân.
‘De duivel waar de soldaat over spreekt is maar voor de helft waar.’ Zei Domi Emmanuel, toen zij in de kathedraal van Badeldhân waren terug gekeerd. ‘Deze man is inderdaad een mengel, maar wel iemand met gevoel voor eer. Hij is dienaar van de kerk en dient Vader Gardon. Ik zal u een verhaal vertellen over Vader Gardon, toen hij Domi was hier. Er woonde in Dorburgh een gezin, de familie Silverburg. Vader Hendrik en moeder Martha. Zij hadden een zoon, Mattheas. Op een middag reed de familie naar Badeldhân voor een dienst hier in St.Carlos. Onderweg werden zij aangevallen door een groepje duistere wezens. Shiul noemen wij hen, zwarte Elfen zijn het. De ouders zijn gedood, direct en zonder wroeging. De kleine Mattheas is opgejaagd als een bange hond, halfdood trof Domi Gardon hem aan, hier aan de voet van dit klooster. Toen Gardon hier als Vader werd benoemd, ontfermde hij zich over de jonge Mattheas. Er was iets vreemds aan deze jongen. Hij groeide langzamer dan een normaal kind. Op zijn huid droeg hij donkere vlekken, zijn ogen waren geel en zijn bloed was groen. Zowel ik als Gardon wisten meteen dat hij mengel was van een Mens en Shiul. Toen we op onderzoek uitgingen, hoorde we een verhaal over Hendrik, die verliefd was geworden op Shiulvrouw en met haar had gevreeën. De moeder werd kort na de geboorte van Mattheas verbannen en naar de verwekker van haar zoon gestuurd. Vijf jaar later vonden beide de dood, behalve Mattheas, door hem die haar verbande. Karuak.’
‘Ik dacht dat de kerk niet geloofde in zulke verhalen.’ Zei de prins. ‘Ik heb geleerd onder Paus Cardus en ik sta er van te kijken, dat een dienaar van de kerk zulke woorden spreekt.’
‘Zij die ver van gevaar zijn, zijn zich niet vaak bewust van het gevaar, prins van Germania,’ zei Emmanuel. ‘Mattheas is gegroeid en in de gunst van Vader Gardon is hij jager geworden. Zwart is zijn mantel, zijn lange jas en zijn hoed. Zilver zijn de wapens die hij draagt.’
‘En waar is deze Mattheas nu dan?’ vroeg Bell en keek om zich heen. De stilte in de kathedraal was drukkend, geen geluid van een koor of enig muziekinstrument. Alleen de adem van de drie aanwezigen.
Ineens klonk er vlakbij geklap. En een kort lachje. De prins keek verschrikt op, Bell sprong in een verdedigende houding, maar Emmanuel bleef onbewogen staan.
‘Vrees niet, prins.’ Zei de Domi, ‘u staat op het punt om de duivel, volgens de beste soldaat, te ontmoeten. De trots van Gardon en Badeldhân. Ik stel u voor, Mattheas Silverburg.’
Uit de schaduwen trad een gestalte. Gekleed in een lange, lederen jas en een grote gitzwarte hoed. Slechts zijn heldere gele pupillen waren te zien. De jager droeg een groene ring en zijn gezicht was jong, maar de ervaring in zijn ogen spraken anders.
‘Zelden komt het voor,’ sprak Mattheas met een zangerige, heldere stem, ‘dat mijn naam word genoemd bij de dood van soldaten. En dan nog wel in Dorburgh.’
‘Het zal je altijd achtervolgen, vrees ik,’ zei Domi Emmanuel, ‘Mattheas, ik stel je voor aan prins Willem V, prins van Germania en zijn wapenknecht Bell.’ De jager maakte een korte buiging en kwam dichterbij.
‘Gegroet,’ zei Mattheas, ‘het is mij een eer u te ontmoeten, prins van dit land. En ook u, wapenknecht van de prins, die graag boer had willen zijn.’ Mattheas glimlachte toen Bell naar hem opkeek. De jager was lang en niet onknap in het gezicht. ‘Ik zie dat u mij indrukwekkend vind.’
‘Klopt het dat u verantwoordelijk bent voor deze hele situatie in Dorburgh?’ vroeg de prins en keek naar de jager. Mattheas wende zich tot hem en keek hem indringend aan.
‘Nee.’ Zei hij zacht, ‘Karuak’s troepen zijn hier verantwoordelijk voor. Aangezien zij van hetzelfde soort zijn als mij en een soldaat een glimp heeft opgevangen, krijg ik hiervoor de schuld.’
‘Is het uw schuld?’
‘Nee, want ik jaag alleen in opdracht. Er zal slechts één persoon zijn die ik zonder opdracht zal doden.’
‘Degene die jou ouders heeft gedood en jou heeft opgejaagd.’ Zei Emmanuel. ‘Ga maar gauw, je uitrusting staat gereed.’
‘Heeft u geen paard voor hem?’ vroeg de prins.
‘Ik ben niet sneller te paard, maar een paard is uiteindelijk eerder een last dan een schat. Ik loop en reis alleen. Gegroet en tot de keer dat wij elkaar weerzien.’ Zei Mattheas en verdween in de schaduwen. Willem V knipperde met zijn ogen en keek Domi Emmanuel aan.
‘Hij is een vreemd heerschap, maar beschouw dit als het begin van een vriendschap, prins. Mattheas heeft in zijn vele jaren al flinke mijlen afgelegd, vele dingen gezien en geleerd. Mocht u ooit aan iets twijfelen, vraag het Mattheas. En als u verslag doet bij uw vader, laat Mattheas en zijn verbintenis met de kerk erbuiten. Gardon is bang voor de grote kerkvader en zijn grootste dienaar, Calleni.’
‘Ik zal hen niet noemen, zoals u mij vraagt.’ Zwoer de prins. ‘Gegroet, en God zij met u.’
‘God zij met u allen op uw reis terug.’ Zei de Domi met een buiging. ‘Het was mij een eer u te ontmoeten, mijn prins.’
‘Vaarwel.’ Willem V keerde om en liep de kathedraal uit.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten