3
Vader Calleni stak een preek af.
'De Kerk is de steunpilaar van het volk, de hoeksteen van de samenleving! Waar zou u zijn zonder ons? Zonder de Kerk zou de Mens gevallen zijn voor het kwaad!' De priester overzag zijn gemeente en hervatte kalm: 'De Kerk behoed Mensen, brengt Mensen tezamen. Wij zijn herders, die hun schapen bij elkaar houden. Zou een schaap naar een gevaarlijk ravijn lopen, zou zijn herder hem ervan behoeden het ravijn in te lopen? Loert er een roofdier, behoed de herder het schaap van de dood? De Kerk is uw herder!' De vijfendertig jarige priester, ook wel Vader genoemd, hief zijn handen. 'Dwaal niet van het pad, want daar loert het kwaad dat u wilt verslinden! Invloeden van het kwaad zal de Kerk weerstaan. De verhalen die u overhalen om het Heidense pad te kiezen, verzinsels van andere wezens! Mythologische Elfen, Dwergen en andere vreemde wezens. Zij bestaan niet! Hierdoor dwaalt u van het pad dat God u bereidt! Wees sterk tegen Heidenen, red hen, want zij zullen weldra niet gered kunnen worden! Wees zuiver! Want wij alleen Mensen zijn door God geschapen! Alleen wij en niemand anders!' Hij stapte van het kansel en stapte op de gemeente af. 'Wie gelooft dat er Elfen bestaan? Wie wil in naam van God vertellen dat Elfen bestaan?' Hij keek rond. Een oude man stak aarzelend zijn vinger omhoog. De Vader liep op hem af en keek hem streng aan. 'Gelooft u dat Elfen bestaan?'
'Ja, Vader Calleni.' zei de oude man bibberend van angst. 'Mijn opa vertelde er vroeger altijd over toen ik een klein jochie was, Vader.'
'Aha.' zei de Vader en boog zich voorover naar de man. 'Zij bestaan niet!' bulderde de Vader. 'Een leugen! Een leugen om u van het pad te krijgen! Ziet u het niet? Het kwaad probeert u in te palmen!' De Vader bulderde als een gek en leek ziedend. Toen bij donderslag sprak hij kalm tot de man: 'Wees sterk, broeder. Bid elke dag en keer elke week tot de Kerk en biecht. En kom elke zondag naar de preek, waar u en u allen gezegend zult worden. Een zegen waar het kwaad niet tegen op kan.' De Vader keerde terug naar zijn kansel en sprak tenslotte: 'Wees een gezegend Mens, keer terug naar huis met de boodschap dat God om u geeft. Weer de leugens uit dit leven uit uw leven en leef zuiver voor God. Zo zij het!'
Henry bekeek de strenge Vader van een afstand. De vijfendertig jarige priester droeg een zwart gewaad met een rode kap. Aan zijn voeten droeg hij eenvoudige leren schoenen en hij hield een oud boek in zijn handen. De Vader had onder zijn haakneus een zwarte snor en scherpe jukbeenderen, die hem angstaanjagend maakte. Als hij streng preekte, zo ondervond Henry, beefden de Mensen van angst. Het beviel hem wel. Hij volgde de Vader door de kathedraal.
De Vader deed zijn zwarte gewaad af en trok een eenvoudig grijs gewaad aan. Hij neuriede een hymne en hoorde Henry niet binnen komen.
'Erg indrukwekkend, priester.' sprak de man op vriendelijke toon. Calleni keerde zich om. Hij overzag zijn bezoeker en zag dat het goed was. Hij vervolgde het aankleden en sprak ondertussen: 'Vond u het een goede preek?'
'Ik zou zelf de oude man nog meer laten boeten, door hem voor de gemeente de biecht af te nemen. Maar ja, ik ben geen priester.'
'Wie bent u?'
'Ik ben Henry Van Zwijnenburg, aspirant koninklijk adviseur.' Henry boog en glimlachte. De Vader stapte op hem af en schudde Henry de hand.
'Calleni, Vader van St.Dumordus.'
'Vader?'
'Priester. Vader is onze werktitel.' legde de Vader uit. 'Ik dacht dat de koning geen adviseur meer zou aannemen, sinds de ruzie van zijne koninklijke hoogheid en uw voorganger.'
'Waarom is hij ontslagen?'
'Hij probeerde naast adviseur ook Gods werk te doen. De koning is, ziet u, niet erg gelovig. Stellig houdt hij zich vast aan een herinnering van zijn vrouw en overleden dochter. De Kerk probeert al jaren de koning naar de Kerk te krijgen. Zo moest toen uw voorganger ook hem zover krijgen dat hij zou biechten en te horen zou krijgen dat God zijn vrouw en dochter veilig heeft opgenomen. Maar te vergeefs.' De Vader zuchtte. 'Paus Cardus was eens een machtig man, die zelfs de koning liet beven. Maar nu hij ouder wordt, gaat zijn gestel achteruit. Zijn invloed is niet meer wat het geweest is. De Paus blijft echter tot zijn dood in zijn ambt, helaas.'
'U had liever hem nu van de troon gezet en er zelf erop gaan zitten, niet waar?'
Calleni keek hem recht aan. 'U leest mijn gedachten. Ja, ikzelf had graag Paus van de Kerk van Germania willen zijn. Dan had ik de koning weer een gelovig man gemaakt. En het land geleid.'
'Dat dacht ik al.' zei Henry zacht. 'Mijn familie had het al over uw ambities. Ik ben door hen gestuurd. Uw trouw aan de koning is niet zo groot als wij al vermoeden. Als u mij en mijn familie steunt kunt u de volgende Paus zijn. Ik ben een man van God en eer hem. Wij zullen Germania maken tot een perfect land? Hebben wij een verbond?' De Vader leek vertwijfeld. Er schoten diverse gedachten door hem heen, vele twijfels benamen de ruimte binnen in zijn hoofd.
Hij greep de hand van Henry en keek hem recht aan. 'Wij zijn bondgenoten.' sprak hij zacht. 'Ik reken erop.'
Henry verliet de kamer en de Vader zakte door zijn knieën en bad tot God.
Een gardist van Dorburgh deed zijn ronde op de oude vestingmuur van het kleine stadje. Zijn geelgroen gestreepte livrei waren vloekend met zijn perfect gelakte bruine laarzen. De man droeg een broek waarvan de ene zijde groen was en de ander geel. Hij droeg een rode baret en hield zijn hand op het gevest van zijn sabel. De gardist was jong en onervaren. Zijn tred was onrustig en onstabiel. Alsof hij gedronken had, terwijl hij dat niet mocht. Hij hield met een half oog de haven in de gaten, een kom binnen in het stadje, die aan de grote rivier Balkabûr lag.
Ineens floot er een pijl door de lucht, die de gardist in zijn rug raakte en hem met een ferme stoot van de muur drukte. De man viel ongelukkig neer op een stapel stenen. Er klonk een zachte zucht.
Er werd alarm geslagen, gardisten renden rond en officieren bulderden bevelen. De hoofd van de Garde kwam nader en bestudeerde de neergeschoten gardist. Een plas bloed lag rondom de gardist. De pijl die uit de man ‘s rug stak was lang en zwart. De veren waren zwart en perfect recht. De officier trok hem eruit en keek naar de punt. Het was een vierkante pijlpunt, die onder stinkende, groene smurrie zat. De punt van de pijl baarde de officier zorgen, aangezien hij de pijl nog nooit had gezien. Hij stond op en gelastte de dode gardist weg te dragen. Hij liep de muur op en keek over de muur.
De Balkabûr was een woeste, gevaarlijke rivier en vele namen die de rivier had gekregen, waren verbonden met de dood. Aan de overzijde van de rivier lag een groot donker woud, dat de stadsbewoners Het duistere woud noemde. Volgens oude legenden moest daar duistere mythische wezens wonen die gevaarlijk konden zijn. Daarom bleef de officier ook lekker in Dorburgh; en de verhalen geloofde hij toch niet.
Hij draaide zich om en wilde een opdracht bevelen, toen hij plots een dreun in zijn rug voelde. De grond kwam snel op hem af. En het werd zwart.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten