hoi:)
Calasz Melgoreth, volksverteller van Arvalü.
Een half-Elf, gezonden door de Goden van Valhalla, om de vele gebeurtenissen op Arvalü op te tekenen voor het nageslacht.
Over mij
- feike84
- Workum, Friesland, Netherlands
- Ik ben Feike Dijkstra, ben een gescheiden vader van 27 jaar en woon (en werk) in Workum. Bij het biologische akkerbouwbedrijf It griene strân (Het groene strand) ben ik verantwoordelijk voor alle dagelijkse klussen, zoals zaaien, oogsten, schoffelen en vrijhouden van onkruid, planning en onderhoud van de machines. Je zou zeggen: erg druk dus....ja, inderdaad, ik werk meestal van zeven uur 's ochtends tot de klok van vijf uur 's middags....ben ik dan moe? Ja, maar wel zeer voldaan. En dit vanaf Maart/April tot ver in November. Elke week schrijf ik een column over het reilen en zeilen van het akkerbouwbedrijf. En die zal ik in deze blog publiceren, wat voorheen alleen nog in de wekelijkse Nieuwsbrief van Gezond gemak verscheen.
zondag 8 januari 2012
zaterdag 7 januari 2012
Hoofdstuk 8 (1.1)
8
De trompetten klonken.
Er was feest, er werd gejuicht en overal in het land werd getoast op het aanstaande
bruidspaar. Menig harten werden gelucht en overal in het land was het onrustig.
Maar de goede orde werd wel bewaard. Hier was bruidegom prins Willem V erg blij mee,
aangezien hij op zijn huwelijksdag geen problemen wilde. De Kerk was blij met het huwelijk,
maar vaak werden geluk en ongeluk op één dag te vaak gebruikt als standaard materiaal
voor een preek. En daar stond deze prins niet op te wachten. Vier eeuwen eerder trouwde
zijn voorvader koning Willem I met een vrouw van stand uit het Zuiden, terwijl hem een vrouw
uit het Noorden was aangeboden. Dit had de nodige commotie en doden tot gevolg. En dit
voorbeeld werd te vaak gebruikt, vooral op bruiloften van het koninklijke huis van Germania.
bruidspaar. Menig harten werden gelucht en overal in het land was het onrustig.
Maar de goede orde werd wel bewaard. Hier was bruidegom prins Willem V erg blij mee,
aangezien hij op zijn huwelijksdag geen problemen wilde. De Kerk was blij met het huwelijk,
maar vaak werden geluk en ongeluk op één dag te vaak gebruikt als standaard materiaal
voor een preek. En daar stond deze prins niet op te wachten. Vier eeuwen eerder trouwde
zijn voorvader koning Willem I met een vrouw van stand uit het Zuiden, terwijl hem een vrouw
uit het Noorden was aangeboden. Dit had de nodige commotie en doden tot gevolg. En dit
voorbeeld werd te vaak gebruikt, vooral op bruiloften van het koninklijke huis van Germania.
Willem V schikte zijn ceremoniële sabel en las de brief van zijn goede vriend Kees de Vechter
nog eens door. Kees was een leerling van Karel Kuipers, die speciaal door de koning werd
gevraagd voor al het ijzerwerk. Op die manier hadden de twee jongens, die nauwelijks een
jaar scheelden, elkaar leren kennen. Nu naar jaren stuurden ze elkaar brieven over hoe de
verschillen tussen de klassen waren, wat er op het paleis allemaal gebeurde en wat het nieuws
van de dag was in de Grote koopmansstraat, de grote markt van Willems-Stad.
nog eens door. Kees was een leerling van Karel Kuipers, die speciaal door de koning werd
gevraagd voor al het ijzerwerk. Op die manier hadden de twee jongens, die nauwelijks een
jaar scheelden, elkaar leren kennen. Nu naar jaren stuurden ze elkaar brieven over hoe de
verschillen tussen de klassen waren, wat er op het paleis allemaal gebeurde en wat het nieuws
van de dag was in de Grote koopmansstraat, de grote markt van Willems-Stad.
In deze brief vertelde Kees over de vele verhalen die werden verteld in de kroegen, herbergen
en zelfs hoerenkasten van de grote stad. Velen dachten dat het een geintje was, want de
meeste kroonprinsen die het land hadden bestuurd, waren op latere leeftijd getrouwd. Met zijn
twintig jaar was Willem V samen met zijn vader de jongste kroonprins ooit die zo jong al huwde.
Maar vooral de variaties in het aanzoek, waren kenmerken.
en zelfs hoerenkasten van de grote stad. Velen dachten dat het een geintje was, want de
meeste kroonprinsen die het land hadden bestuurd, waren op latere leeftijd getrouwd. Met zijn
twintig jaar was Willem V samen met zijn vader de jongste kroonprins ooit die zo jong al huwde.
Maar vooral de variaties in het aanzoek, waren kenmerken.
De ene vertelde een verhaal, dat een arbeider en die zijn neef, en daar weer een verwante van,
had gezien hoe de prins zijn verloofde het aanzoek deed. Een ander gerucht deed de ronde
dat de inmiddels beroemde Roosje Tol het toneel had verlaten en er een nieuwe dame in het
spel was. En de naam die Willem V las, deed hem hard lachen.
had gezien hoe de prins zijn verloofde het aanzoek deed. Een ander gerucht deed de ronde
dat de inmiddels beroemde Roosje Tol het toneel had verlaten en er een nieuwe dame in het
spel was. En de naam die Willem V las, deed hem hard lachen.
'Is het grappig, uwe hoogheid?' vroeg Jaspers droog, terwijl hij de slaapkamer binnen kwam.
Hij droeg een gouden diadeem op een rode fluwen kussen. 'Of hebt u zo juist van de wacht-
posten een goede mop gehoord?' De oude man grinnikte, maar stopte niet. Totdat hij de
trouwkleding van de prins zag. 'Daar is geen mop tegen bestand, sire, uw aanstaande mag
zich in de handen knijpen.'
Hij droeg een gouden diadeem op een rode fluwen kussen. 'Of hebt u zo juist van de wacht-
posten een goede mop gehoord?' De oude man grinnikte, maar stopte niet. Totdat hij de
trouwkleding van de prins zag. 'Daar is geen mop tegen bestand, sire, uw aanstaande mag
zich in de handen knijpen.'
'Dank je, Jaspers.' zei Willem V glimlachend en draaide zich om. 'Menige leden van ons volk
menen dat ik ga trouwen met Klassientje van der Goethhuysen. Absurd! In geen honderd jaar!'
Opnieuw grinnikte de oude man.
menen dat ik ga trouwen met Klassientje van der Goethhuysen. Absurd! In geen honderd jaar!'
Opnieuw grinnikte de oude man.
'Geen idee wie dat heeft verteld, maar gauw genoeg zal het volk zien wie uw echtgenote is, en
dan zal deze jongedame van der Goethhuysen wel anders lachen.'
dan zal deze jongedame van der Goethhuysen wel anders lachen.'
In de grote basiliek van Willems-Stad waren vele genodigden, waaronder het grote deel familie
van de koning. Graven en gravinnen, hertogen en hertoginnen, leden van de adel, die allemaal
verwant waren aan koning Willem IV. Op een gouden troon zat de koning met glinstering in zijn
ogen te kijken naar de binnenstromende gasten. Vele mooi opgetooide vrouwen droegen hoeden,
die zelden ten toon werden gesteld. Muzikanten verzamelden zich en er werden instrumenten
gestemd. Diverse geestelijken liepen af en aan, terwijl Vader Calleni op de koning af liep. Met
een buiging vroeg hij: 'Permissie om te spreken, sire?' De koning knikte en Calleni vervolgde:
'Het is voor ons een eer om deze dienst aan u, uw zoon en aanstaande schoondochter aan
te bieden, maar vooral aan God. Hebt u nog nadacht over mijn voorstel wat ik u eerder voor-
stelde?'
van de koning. Graven en gravinnen, hertogen en hertoginnen, leden van de adel, die allemaal
verwant waren aan koning Willem IV. Op een gouden troon zat de koning met glinstering in zijn
ogen te kijken naar de binnenstromende gasten. Vele mooi opgetooide vrouwen droegen hoeden,
die zelden ten toon werden gesteld. Muzikanten verzamelden zich en er werden instrumenten
gestemd. Diverse geestelijken liepen af en aan, terwijl Vader Calleni op de koning af liep. Met
een buiging vroeg hij: 'Permissie om te spreken, sire?' De koning knikte en Calleni vervolgde:
'Het is voor ons een eer om deze dienst aan u, uw zoon en aanstaande schoondochter aan
te bieden, maar vooral aan God. Hebt u nog nadacht over mijn voorstel wat ik u eerder voor-
stelde?'
'Ik zal het u persoonlijk na deze huwelijksceremonie vertellen.' Met een tevreden buiging
verliet Calleni de koning en zag niet de met haat vervulde blik van de koning.
verliet Calleni de koning en zag niet de met haat vervulde blik van de koning.
Een half uur later kwam prins Willem V aan, boog kort voor Calleni en keek toen verbaasd op
naar een bekende gestalte naast de Vader uit Willems-Stad: Emmanuel.
naar een bekende gestalte naast de Vader uit Willems-Stad: Emmanuel.
'Mijn waarde Emmanuel.' zei Willem verbaasd. 'Wat brengt jou in dit feestelijke uur naar de
stad? En waarom die kleuren? Jullie lijken wel broers.' Willem V en Emmanuel moesten lachen,
maar Calleni deed het allerminst.
stad? En waarom die kleuren? Jullie lijken wel broers.' Willem V en Emmanuel moesten lachen,
maar Calleni deed het allerminst.
'Nee, mijn prins, ik ben hier namens de Kerk. Op verzoek van wijlen Vader Gardon zal ik de
Kerk uit Badeldhân vertegenwoordigen.'
Kerk uit Badeldhân vertegenwoordigen.'
'Wijlen?'
'Ja, mijn prins.' zei Emmanuel en er was verdriet in zijn ogen te lezen. 'Vader Gardon is aan
bed gekluisterd en het is volgens de ziekenbroeders wachten tot God onze geliefde Vader
roept. Uit voorzorg ben ik in zijn plaats gestuurd. Maar pas als de Vader werkelijk overleden is,
zal ik de mijter van de Vader krijgen.'
bed gekluisterd en het is volgens de ziekenbroeders wachten tot God onze geliefde Vader
roept. Uit voorzorg ben ik in zijn plaats gestuurd. Maar pas als de Vader werkelijk overleden is,
zal ik de mijter van de Vader krijgen.'
'Ik deel mee in uw verdriet, Emmanuel.' zei Calleni. 'Sire, de ceremonie-meester in de kleed-
kamer hiernaast zal u uitleggen wat er straks allemaal gaat gebeuren.' Willem V boog kort
voor de twee geestelijken en liep weg. 'Denk maar niet, dat je na deze stap hoger zult komen,
Emmetje.' siste Calleni tegen Emmanuel. 'Als ik de troon van onze geliefde vader de Paus
krijg, zal jij het zwaar krijgen.'
kamer hiernaast zal u uitleggen wat er straks allemaal gaat gebeuren.' Willem V boog kort
voor de twee geestelijken en liep weg. 'Denk maar niet, dat je na deze stap hoger zult komen,
Emmetje.' siste Calleni tegen Emmanuel. 'Als ik de troon van onze geliefde vader de Paus
krijg, zal jij het zwaar krijgen.'
'Het is aan God of ik het zwaar krijg, waarde Calleni.' zei Emmanuel onbewogen. 'Mijn ver-
trouwen is groot, en ik ben nimmer bang voor loze insenuatie's zoals van u. Het is als een
hond die veel blaft, maar nooit bijt.' En de domi liep naar een groep gasten.
trouwen is groot, en ik ben nimmer bang voor loze insenuatie's zoals van u. Het is als een
hond die veel blaft, maar nooit bijt.' En de domi liep naar een groep gasten.
De staf van de ceremonie meester maakte een dof geluid. Het was na enkele ogenblikken
stil en de gasten keken naar het altaar van de Kerk. Daar stonden Vader Calleni, de ceremonie-
meester en een licht ontroerde Emmanuel. Velen die de Domi zagen, vroegen zich af
waarom de jongeman huilde. Totdat Vader Calleni sprak:
stil en de gasten keken naar het altaar van de Kerk. Daar stonden Vader Calleni, de ceremonie-
meester en een licht ontroerde Emmanuel. Velen die de Domi zagen, vroegen zich af
waarom de jongeman huilde. Totdat Vader Calleni sprak:
'Aanwezigen in deze kerk. Ik wil u vragen allen te gaan staan en uw hoofden te buigen. Uit
eerbied voor de overleden Vader van Badeldhân vraag ik een moment stilte voor respect en
gebed.' Het bleef een tijdje stil en vele mensen waren geschokt, enkelen waren in tranen
uitgebarsten en anderen prevelden een doodsgebed voor de overleden Vader. Gardon was
dan nauwelijks bekend bij de mensen, maar zijn preken over liefde voor God en de maaltijd
waren velen blijven hangen.
eerbied voor de overleden Vader van Badeldhân vraag ik een moment stilte voor respect en
gebed.' Het bleef een tijdje stil en vele mensen waren geschokt, enkelen waren in tranen
uitgebarsten en anderen prevelden een doodsgebed voor de overleden Vader. Gardon was
dan nauwelijks bekend bij de mensen, maar zijn preken over liefde voor God en de maaltijd
waren velen blijven hangen.
'Zijne koninklijke hoogheid prins Willem V, zou u de mijter voor de nieuwe Vader naar voren
willen brengen?' vroeg Calleni. Vanachter de kerk begon een jongenskoor al lopend een
hymne te zingen.
willen brengen?' vroeg Calleni. Vanachter de kerk begon een jongenskoor al lopend een
hymne te zingen.
Liefde, warmte, licht!
De liefde van God,
de warmte van het leven,
de licht van de Hemel.
De mijter zal overgaan,
de staf van de herder,
zal overgaan,
de nieuwe meester is hier!
Nu is de liefde hier,
het licht van God,
omringt ons allen!
Amen!
Prins Willem V droeg in zijn handen een grijze mijter en liep gestaag achter de zingende jongens
aan. Strak in de plooi hield de prins zijn gezicht, want het bedroefde gezicht van zijn geestelijke
vriend deed hem pijn.
aan. Strak in de plooi hield de prins zijn gezicht, want het bedroefde gezicht van zijn geestelijke
vriend deed hem pijn.
Hij stond nu tegenover hem en sprak: 'Dat deze taak de jouwe mag zijn, de liefde en het licht
verspreiden, in de bekendste vorm die wij kennen: het woord.' Willem V zette de mijter op het
hoofd van Vader Emmanuel en boog.
verspreiden, in de bekendste vorm die wij kennen: het woord.' Willem V zette de mijter op het
hoofd van Vader Emmanuel en boog.
Nu keerde Calleni tot Emmanuel: 'Wees gezegend, wees trouw aan God en het Woord,
vervuil uw taken niet met nutteloze zaken, maar doe alles wat God wil. En voor de Kerk.
Ik zegen u en noem u Vader Emmanuel!'
vervuil uw taken niet met nutteloze zaken, maar doe alles wat God wil. En voor de Kerk.
Ik zegen u en noem u Vader Emmanuel!'
Er werd gejuicht en de nieuwe Vader van Badeldhân stak zijn handen op. 'Aanwezigen! Mijn
dank voor uw vreugde. Maar dit is niet mijn dag om vrolijk te zijn, dit is de dag waarin zijne
koninklijke hoogheid prins Willem V zich in het huwelijk laat verbinden met Roosje Tol.
dank voor uw vreugde. Maar dit is niet mijn dag om vrolijk te zijn, dit is de dag waarin zijne
koninklijke hoogheid prins Willem V zich in het huwelijk laat verbinden met Roosje Tol.
(word vervolgt) © Feike Dijkstra 07-01-2012
Hoofdstuk 7 (1.1)
7
Een hamer sloeg drie keer.
'Stilte!' bulderde een harde stem. De kakefonie van de honderd raadsleden begon langzaam
af te zakken en de huidige voorzitter, de interim-voorzitter als hij werd genoemd, begon
opnieuw te spreken.
af te zakken en de huidige voorzitter, de interim-voorzitter als hij werd genoemd, begon
opnieuw te spreken.
'Welkom, mijn heren, in deze raadsvergadering, het is woensdag de vijftiende December en ik
vraag u aandacht voor de beëdiging van Henry van Zwijnenburg, die op verzoek van de koning,
is aangesteld als Voorzitter van de Raad. Heer Henry, wilt u naar voren komen en zo nodig
vragen van de raadsleden beantwoorden?'
vraag u aandacht voor de beëdiging van Henry van Zwijnenburg, die op verzoek van de koning,
is aangesteld als Voorzitter van de Raad. Heer Henry, wilt u naar voren komen en zo nodig
vragen van de raadsleden beantwoorden?'
Henry was gekleed in een lang grijs gewaad, hij droeg geen hoofddeksel hoewel de andere aanwezigen wel een hoed droegen. De raadsleden waren gekleed in een rood gewaad, met een rode, ronde hoed op hun hoofd. Als de leden een vraag hadden, of ergens over moesten stemmen, deden ze dat met een wit en een zwart bord. Wit stond voor "Eens" of "Vraag", zwart voor "Oneens".
De voorzitter zelf droeg een zwar gewaad en een tricourne, een drie-puntige hoed en een ceremoniele hamer. Deze zwarte hamer had genoeg kracht om de ergste discussie te overstemmen.
Voor de raadsbanken stonden drie zetels, en een tafeltje waar een griffier noties maakte van de Raadsvergadering. Op twee van de drie zetels zaten de koning en zijn zoon. Naast hem zat Henry, die op stond en naar voren liep. Hij stapte op de verhoging en keek de raad aan.
'Goedenavond.' begon Henry met een vriendelijke stem. 'Mijn naam is Henry Van Zwijnenburg, ik ben een getrouwd man, heb een zoon en ik heb via mijn familie vernomen dat de koning een nieuwe adviseur zocht. Ik ben meteen gekomen, in de hoop nog in de smaak te vallen. Ik heb vele mensen met hoge functie's geadviseerd en ik ben ook als voorzitter aan diverse raden aangesteld geweest.' Zijn stem was krachtig en goed te verstaan, ook bij de oudere raadsleden. Er ging een wit bordje omhoog. Henry wees naar het bordje en de desbetreffende raadslid stond op.
'Welkom in ons midden, heer. Mijn vraag is van welke familie u afkomstig bent?'
'Ik ben afkomstig van de familie Van Zwijnenburg, ik heb familie-leden in het noorden en in Soermondt, de havenstad in het zuidwesten.'
'Heeft u naast het Voorzittersschap ook ander werk verricht?'
'Jazeker.' zei Henry opgewekt. 'Ik heb een paar jaar geleden het werk van mijn oom voor een jaar overgenomen, hij bestuurde een vesting en ik heb hem voor een jaar vervangen. En ik kan paardrijden.' Er werd gelachen. Opnieuw een bordje.
'Waar zijn uw vrouw en kind?'
'Die zijn nog bij mijn oom. Mijn zoon komt weldra deze kant op, als ik deze baan als voorzitter krijg.'
'En uw vrouw?'
'Zij is helaas niet in goede gezondheid om zo'n verre reis te maken. Ik zal vrees ik moeten wachten tot het voorjaar.'
'Ik weet genoeg, dank u.' Opnieuw ging een bordje omhoog.
'Hoe gaat u om met eventuele invloeden van de Kerk, pogingen tot onderdrukking en u dwingen om naar hen te gehoorzamen?'
'Niet. Ik ben een man van de Kerk, ik geloof in God en in het Woord. Ik zal goed zijn voor een geestelijke, maar als hij datgene doet wat u omschrijft, ben ik hard, mijn heer.' De man ging weer zitten. Nu stond de prins ineens op.
'Wat zou u doen tegen piraten, stropers, illegalen en andere ongewenste personen in ons land?'
'Ik zou, mijn beste prins, van mijn familie onze beste soldaten inzetten naast de soldaten van het leger en deze met harde hand bestrijden. Ik ken de kracht van mijn soldaten, maar denk dat het goed is ze samen te laten optrekken, zodat aan beide zijden hun beste kanten worden versterkt. Zo krijg je een super leger en zal snel deze piraten, stropers en wat voor tuig dan ook de kop indrukken.'
'Ik heb nog één vraag. Wat zou u doen als man van God, dienaar van de Kerk, als u een Domi met geweld ziet uithalen naar een onschuldig iemand, een kind of een oude man? Zou u met geweld antwoorden, of met gezag.' De prins ging zitten.
Henry dacht even na. Dit was een moeilijke vraag, en er schoten diverse opties door zijn gedachten. 'Ik zou mijn gezag gebruiken, de man meenemen naar de Paus en hem persoonlijk de biecht laten afnemen.'
'Ik dank u.' zei de prins. Zo werden er nog meer vragen gesteld over zijn ideeën van zorg, herstel van de arme wijken en het besteden van het geld dat bestemd was voor de wegen, de structuur, voor de versterking van de muren, de torens en de poorten van alle vestingen in Germania. Tenslotte stond de interim-voorzitter op, liep naar Henry en schudde hem de hand. Hij deed de tricourne af, deed de zwarte gewaad af en overhandigde die aan Henry. De koning kwam naar voren en zei:
'Kniel, heer Henry.' Henry deed dit. De koning legde zijn hand op diens hoofd en sprak: 'Voorwaar zult u nimmer Henry Van Zwijnenburg zijn, maar Heer en Adviseur des Konings. Vele taken zult u krijgen, vele taken zullen moeten worden verricht en voor elke goede daad zal u goed beloont worden.' De ring aan de hand van de koning gloeide felblauw en ineens riep de raad in koor: 'Mégarez! Hij is gezegend!'
'Sta op, Adviseur des konings, voorzitter van de koninklijke raad, wijze meester van Germania.' sprak de koning tenslotte en keerde terug naar zijn zetel.
Henry stond op, pakte het zwarte gewaad en deed hem aan. Hij zette de tricourne op en stapte weer op de spreekstoel. Hij pakte de zwarte hamer en tikte zacht op de spreekstoel. Het was een bescheiden zacht tikje, maar het klonk als een felle slag die ver door klonk. Henry keek licht geschrokken, legde de hamer neer en sprak:
'Ik zie hier het volgende agendapunt, aangeleverd door zijne koninklijke hoogheid prins Willem de Vijfde.' Henry stapte weg van de spreekstoel en de prins nam diens plaats in.
'Mijne heren,' sprak de prins, 'op mijn missie naar de Noordelijke boerendorpen, ben ik een vreemde situatie terecht gekomen. Een situatie met vreemdelingen. Drie clandestiens spraken met elkaar. Twee waren gekleed in zwarte gewaden met kappen, de andere had regionale kleding aan. Ik zal u een omschrijving van de twee vreemden: hun huid was donker, zo donker als de maanloze nacht en hun huid voelde aan als zacht leer. Het bloed wat uit hun levenloze lichamen stroomde was groen.' Er ging een schok door de zaal en diversen riepen "groen". Sommigen sprongen op om bezwaar te maken tegen de fantasie van de jonge prins. De prins stak zijn handen omhoog, het werd meteen stil en Willem V vervolgde: 'Dit is geen fantasie, mijne heren, want zeker honderdvijftig Bruggiaanse ruiters en hun bevelhebber Boris van Bockelhuysen hebben het zelf met eigen ogen gezien. En dan heb ik die vreemde die gekleed was in de Noordelijke stijl. Hij had vreemd warrig haar, geel-groene ogen en twee kleine slagtanden die uit zijn onderkaken staken. Op zijn kin had hij een vergroeiing, een botje dat eruit stak. Nooit eerder heb ik een viezer, stinkender wezen gezien. Opmerkelijk is wel te noemen dat zijn bloed gewoon rood was, en hij zichzelf Vildrain noemde. Hij schijnde een koopman te zijn, hoewel ik nergens koopwaar zag.' Henry stond op.
'En u heeft er niet aan gedacht hem mee te nemen voor verhoor?'
'Ik had het willen doen, heer Henry, maar hij beledigde mij, mijn vader en het land, en wist uit onze handen te ontvluchten. Het was dom om hem neer te schieten, maar de wetten van dit land zijn nou eenmaal zo: iemand die een prins, een koning beledigd, of wat voor insenuerende opmerking dan ook, krijgt de Doodstraf.'
'U komt dus de tijd verdoen met deze verhalen?' vroeg Henry met een scherpe opmerking. Er was iets vreemds aan Henry, vond de prins. Aangezien Henry heel nerveus begon te kijken toen hij de vreemde Vildrain beschreef. Alsof hij hem herkende.
'Ik ben nog niet klaar, waarde heer Henry.' zei Willem V en vervolgde: 'Vervolgens kwam er een brief binnen van Vader Gardon uit Badeldhân, waarin hij de volgende situatie schetste: in Dorburgh waren eerder deze week vijf gardisten van de westelijke muur waren geschoten. Vierkante vergiftigde pijlen hadden hen meteen uitgeschakeld. Samen met Domi Emmanuel ben ik er heen gegaan om de situatie in eigen ogen op te nemen, met de nabestaanden te praten en ik heb het volgende gezien en ervaren.
Ik liep over de Westelijke muur, waar de vijf gardisten zijn beschoten. Vanaf de overzijde zag het Duistere woud. Ik heb natuurlijk tijdens mijn menig verhalen gehoord, veel bijgeloof, andere interessante verhalen die waar lijken te zijn. Maar van alle verhalen stond ik verbaasd over een levend, donker volk aan de overkant. Ik zag diverse krijgers, gehuld in donkere wapenkleding en de twee doodgeschoten figuren liepen daar rond, alsof er niks gebeurd was. Ik moest denken aan een gesprek dat ik eerder gehoord had, over een verbond tegen de Mensheid.
'Is er werkelijk een dreiging, mijn prins?' vroeg een raadslid.
'Ik heb werkelijk geen idee, waarde meester,' zei de prins, 'Maar ik heb wel mijn vermoedens. Om hier meer over te weten te komen, zal ik gegevens moeten raadplegen in de Oude bibtliotheek. Aangezien die gesloten is, vanwege ongeoorloord gebruik en pogingen tot diefstal van Vijandelijke gegevens, vraag ik u of ik in de Oude bibliotheek naar bronnen mag zoeken.'
'De sleutel ervan is in handen van de voorzitter, net als zijn oordeel en antwoord.' zei een raadslid. Henry stond op en liep naar voren.
'Mijne heren, moeten wij nou werkelijk het woord van een twintig jarige kroonprins geloven, zonder het horen van getuigen? Is de kracht van de raad voorbij geschoten om direct het woord van deze prins te horen, zonder eerst na te gaan wat er fictie is en wat werkelijkheid?' De raad begon woest te protesteren, maar Henry greep de hamer en sloeg fel. 'Stilte! Ik heb een zoon van net tien, maar ik laat hem niet een raad voorgaan. Daar heb je adviseurs voor! En een gouvernante! Hemels! Donkere mannen, vreemde mensen met groen bloed en vergroeiingen! Wat een fantasie!' Hij richtte zich tot de gekleineerde prins: Nee, mijn prins, uw verzoek tot de Oude bibliotheek is bij deze afgewezen. U mag gerust van alles leren, wat u wenst, maar ik vind dat u dit onderzoek naar vreemde wezens, die overigens niet bestaan, moet staken.'
'Maar ik heb ze in eigen ogen gezien!' verwierp Willem V.
'Sire,' zei Henry tot de koning, 'wilt u alstublieft uw zoon tot de orde roepen?'
Willem V liet zijn schouders hangen, sprak tot de raad: 'Bedankt voor uw tijd en aandacht.' Hij boog kort voor hen, voor zijn vader en maakte een aarzelende buiging voor de Koninklijke adviseur en verliet de Raadszaal.
Hoofdstuk 6 (1.1)
6
Ze trilden van opwinding.
Miriam, Roosje en Hendrik jr. zaten zenuwachtig naast elkaar. De koets van hun ouders, koopman Hendrik Tol sr. en Claudia-Mille Tol-Burger reed over de grote hoofdweg richting de brug Brand. De familie Tol was een arme koopmansfamilie en zij waren uitgenodigd op het grote bal in het paleis van de koning. Naar geruchten die te ronde gingen, zou er een verloting onder de huwbare dames en de gelukkige dame in kwestie zou met de prins van Germania huwen. Dit aanbod lieten Hendrik en Claudia-Mille niet passeren, en hadden meteen geantwoord.
Miriam was 23 jaar en al reeds in verwachting. De kans dat zij uitgehuwelijkt zou worden was erg klein, maar des ondanks was de hele familie mee gekomen. Haar zusje Roosje was net twintig geworden en was een mooie, aantrekkelijke jonge vrouw. Ze droeg een mooie rode jurk, die haar taille benadrukte en ze droeg een kleine rode diadeem op haar lang, golfend donker haar. Ze droeg rode laarsjes en aan haar hand droeg ze geen ringen. Haar heldere groene ogen straalden iets koninklijks uit, terwijl haar glimlach betoverend was.
Hendrik jr. was net achttien geworden en droeg hetzelfde kostuum als zijn vader, alleen hij had geen ceremoniële sabel. Zijn vader had er hoop in dat zijn zoon zou worden opgenomen in het gilde der Lakeien, een belangrijke en eervolle groep die trouw de koning en zijn gezin bedienden.
Ze reden nu Brand over en waren niet ver verwijderd van de Wilde hoeve, waar slechts een effen pad tussen een groot veld van scherpe en onbegaanbare rotsen lag. De vaandels van het land, van de koning en van de adel wapperden hoog boven de vele torens die het paleis bezat. Er liepen gardisten over de muren en hielden de omgeving strak in de gaten.
Er heerste vreugde, opwinding, maar ook wel spanning. Vele dames van Roosje haar leeftijd zagen er vele malen meer indrukwekkender uit en spraken ook met een bekaktere toon dat wat Roosje deed. Roosje voelde zich net een boerin. Ze kon onmogelijk de prins versieren met zulke grote tegenstanders…..
Ze stapten uit de koets, die door een lakei werd geopend. Een andere lakei bood Claudia-Mille een hand en hielp haar van de koets. De drie kinderen liepen achter hun ouders aan, terwijl een andere lakei hun koets wegreed van de plek.
Ze liepen naar een gang, waar aan het einde ervan een trap omhoog liep. De leuningen van de trap waren versierd met linten en bloemen. Vele gekleurde rozen en jasmijnen gaven een zoete geur af.
De dubbele deuren aan het einde van de gang gingen open en een kakofonie van geluiden kwamen de familie Tol tegemoet.
Een grote trap boog naar links en was versierd met vele corso’s, bloemen en andere versieringen. Tussen de trap en de muur speelde een kamerorkest vele liederen en een tenor zong met een heldere lieflijke stem de sterren van de hemel. Er waren vele gasten aanwezig: mensen van adel, hoge bestuursleden van de Koninklijke Raad, burgemeesters en stadsbestuurders, en natuurlijk hun vrouwen en dochters. Hier en daar zag Hendrik sr. dat er ook koopmannen rondliepen, de ene bulkte in het geld en de andere was nog armer dan Hendrik sr. zelf. Er was een verscheidenheid aan huwbare dames en dat viel Roosje zeker weten op. Waarom? Vroeg ze zich af.
‘Hendrik Tol senior, en zijn vrouw Claudia-Mille Tol-Burger.’ Kondigde de lakei hen aan. Er klonk gejuich en applaus. ‘En hunne kinderen Miriam, Roosje en Hendrik junior.’ Wederom klonk er gejuich uit het publiek. Ze volgden de lakei op hun weg naar beneden en keken uit over het feestgedruis dat al in volle gang leek.
‘Wauw, mam.’ Zei Roosje, ‘Zijn we niet te laat?’
‘Nee, lieverd,’ zei haar moeder boven het kabaal uit, ‘Het echte feest moet nog beginnen. We gaan nu eerst langs de koning, in de Grote hal daar.’
Roosje liep tussen de menigte door en voor ze er erg in had, stond ze in een grote ruimte, die men ook wel de Grote hal werd genoemd. De troonzaal van de koning was verlicht met vele kaarsen en er hingen slingers aan de vijf kroonluchters bovenin de zaal. Op zijn troon zat de koning, een man nabij de vijftig, getekend door het verlies van zijn echtgenote. Naast hem, op de troon van zijn vrouw, zat zijn zoon, prins Willem V.
Roosje had al vele verhalen gehoord, van wie de meeste eigenlijk roddels waren, maar over één ding waren alle jonge vrouwen het eens: de prins was een lekker ding.
De koning was een oudere versie van zijn zoon, maar door het verdriet leek hij veel ouder. Roosje voelde medelijden en herwon haarzelf, terwijl ze de drang voelde om de koning eens goed te knuffelen. De koning sprak:
'Welkom, hier in mijn paleis. Moge het feest u vreugde, genot en mijn zoon een lieve echtgenoot geven. Als uw dochters de kans krijgen mijn zoon spreken en zijn hart weten te winnen, krijgt de winnaar mijn persoonlijke zegening. Ga, en geniet!' De prins boog kort voor Roosje en Miriam, en een knipoog ontsnapte de prins. Miriam knipoogde terug, en wees met haar duim naar Roosje, die hevig begon te blozen. Heel zacht fluisterde Miriam:
'Ze is nog vrij.' En zo liepen zij de drukke menigte in.
'Pa, moet je dat nou elke keer zeggen?' zei Willem V scherp tot zijn vader. 'Ik ben geen lot uit de loterij! Ik ben niet als een geslacht varken te koop op een veiling, ik ben een prins. Een prins met gevoelens, vader. Als ik iemand wil uitkiezen, wil ik dat met liefde doen, niet met druk. Liefde moet vanzelf sprekend zijn en niet om geld of status draaien.'
'Je hebt gelijk, mijn zoon.' zei zijn vader en knikte. 'Zat er al een lekkere stoot tussen, die jou voorkeur verdraagt?'
'Nee!' loog hij hard en liep weg.
De grote raadszaal van het paleis was een grote vierkante zaal, met aan de westmuur een driehoge raadsbank, met aan weerszijden een wenteltrap. Aan de oostzijde liep in een scherpe bocht de grote marmeren trap en naast die trap zaten een groepje muzikanten, de beste kamerorkest-musici van het land, speciaal voor deze gelegenheid uitgenodigd en samen gesteld. Een man met een grote snor en een prachtige met hout gesneden viool begeleide het orkest en wachtte af op het teken van Jeram, de potentiele opvolger van Jaspers. De man klapte in zijn handen en het gedruis viel stil.
'Geachte gasten! Vrienden van het huis van de koning! Landgenoten! Welkom! Heden ten dage word hier vastgesteld of de prins een huwbare vrouw zal vinden, en daarmee een troonopvolger word geleverd.' Vele dames van de adelwijken dromden dichterbij en wapperden met hun waaiers. 'Een kleine huisregel onder de dames: wees een dame en hou uzelf in bedwang, als de prins u afwijst als zijn partner. Ieder die zich misdraagt, zal buiten het paleis worden gezet.' Er ging een schok langs enkele dames, die kennelijk iets van plan waren. Maar voor het algemeen waren de dames het overeens dat het een feest was, en diegene die de prins voor zich wist te winnen, was een gelukkige winnaar. 'De koning, de prins, het huis van de koning en zijn staf wensen u een fijne avond!' Er werd geapplaudiseerd en de Eerste violist stond op, om de eerste verzoekjes voor die avond te ontvangen.
Terwijl het orkest begon met een vrolijk, opzwepend dansnummer, dreef Roosje langzaam alleen naar de achtergrond. Overal om haar heen waren dames die veel rijker waren, veel meer invloed hadden en bovendien er mooier uitzagen dan het boerenmeisje dat Roosje zich voelde. Met pijn in haar hart vroeg ze zich af waarom haar vader dit leed aan deed. Maar ze zag haar vader en haar broertje praten met de oude lakei, en schijnbaar leek Hendrik Junior in de smaak te vallen.
Ze stond nu bij de grote raadsbanken. De banken waren blank van kleur, alhoewel de buitenkant op de eerste verdieping rood was, op de tweede groen en op de derde blauw. Ze pakte de krullende trapleuning en zuchtte. Hopelijk was het op de derde verdieping wat rustiger en kon ze in alle rust alles overzien. Ze liep omhoog en toen ze de derde verdieping had bereikt, ging ze zitten. Met een zucht liet ze haar achterover zakken en sloot haar ogen. Het was moeilijk voor te stellen hoe zij zou dansen met de knappe prins, terwijl er zoveel beter en mooier aanbod was. Ze twijfelde zo erg aan haarzelf, dat ze niet had opgemerkt dat er iemand vlakbij haar zat.
'Ik word er ook moe van.' zei een vriendelijke, maar licht geïrriteerde stem. Ze herkende de stem niet, maar toen ze zijn kant op keek, viel haar mond open van verbazing. Naast haar zat de prins! En hij keek naar haar met die zelfde schittering in zijn ogen.
'Ik...'stamelde Roosje, 'Ik voel me zo gekleineerd door al die mooie en rijke dames. Alsof ik niets voorstel, in vergelijking tot hen.'
De prins lachtte schamper. 'Luie krengen, stuk voor stuk.' Zijn woorden klonken onvriendelijk. 'Die meid in het wit is Klassientje van der Goethhuys, een leuke meid om te zien, maar zo lui als een varken. Die griet naast haar is Rosanna Boylens, een lekker ding om te zien, maar van binnen zo lelijk als de nacht. En al die andere meiden zijn niet veel beter. Als ze mij kiezen, kiezen ze niet uit liefde, maar om macht, geld en status. En juist het belangrijkste vind ik dat een relatie gebouwd is op liefde en vertrouwen, vind je ook niet?' Roosje schrok op, want ze had al die tijd naar zijn lieve, zachte stem geluisterd.
'Ja, dat vind....' zei ze en viel stil, toen hun ogen elkaar ontmoetten. 'Dat vind ik ook. Ik kies liever voor liefde dan voor status. Ik ben gewend aan hard werken, want ik moet ook meehelpen in het huishouden van mijn ouders. Zelfs als mijn vader weg is, is er genoeg te doen.' Ze keek over de rand naar de dansende dames. Sommigen keken geïrriteerd om zich heen, op zoek naar de prins. 'Ik wed dat die dames daar geen raad weten met een spons of een schep.' Ze lachtten beiden en opnieuw keken ze elkaar aan. Langzaam kwamen ze dichter naar elkaar toe en terwijl dat gebeurde, leek er een vonk over te spatten. En het geluid van schoenen die omhoog kwamen.
Een lakei boog voor de prins en zijn gezelschap en zei: 'Zijne koninklijke hoogheid, uw aanwezigheid is gewenst in de zaal, onder ons. Er zijn enkele gewilligen die met u de Eerste dans willen doen.'
'De Eerste dans?' vroeg Roosje verbaasd.
'De Eerste dans is de belangrijkste dans voor de prins en zijn potentiele danspartner. Wie zijn danspartner is, mag zich gelukkig prijzen.'
'Ik kom eraan, Maron.' zei de prins vriendelijk en stond op. 'Ga je mee?'
'Ja, is goed. Ik ben benieuwd wie u als danspartner zal kiezen.' zei ze nerveus. Hij wees naar beneden. 'Zij ook.' zei de prins en bood zijn arm aan.
Op de weg naar beneden werden er heel veel vuile blikken geworpen, menige dame van stand waren buiten zinnen of zelfs beledigd. De boerenpummel met wie de prins liep, was gekleed in een schamele rode jurk met slechte accessoires. Zo waren de rijkste en meest irritante dames van het feest vertrokken, zodra de prins met Roosje naar beneden kwam.
In het midden van de zaal was een grote cirkel vrij gelaten en Roosje liet de arm van de prins los. Het voelde voor even fijn aan om een sterke, maar vooral liefdevolle arm te hebben. Maar zoals Roosje zich voelde, zou de prins haar zeker niet kiezen. De prins liep door en draaide zich toen om. Hij stak zijn hand uit en zei: 'Kom je, mijn danspartner?' Direct reageerden er diverse jonge vrouwen, maar de prins schudde zijn hoofd en wees op Roosje. 'Jij, jij mag met mij de Eerste dans doen.'
Roosje was buiten haarzelf! Zo juist had de prins haar gevraagd boven alle mooie en rijkere dames! Haar, een eenvoudige koopmansdochter, die niet terug deinsde voor wat werk en niet een hoog status bezat. Ze liep tussen de dringende dames door en stapte de grote cirkel binnen.
Het was stil. De lucht was vervuld van het eten, de drank, het zweet van de gasten en de woede van de teleurgestelde dames was groot. Des ondanks bleven zij, in de hoop dat de danspartner een fout zou maken en de prins een ander, invloedrijker iemand zou kiezen.
Hun ogen troffen elkaar opnieuw, en wederom was daar die vonk. Hun handen raakten elkaar en voelden warm aan. Ze grinnikten, toen ze beide beseften dat ze aan het zweten waren.
'Wees niet bang voor die ogen.' zei de prins kalm. 'Die zullen nooit een kroon van dichtbij zien.' Opnieuw welde er paniek in Roosje's hart op. Zou zij dan ooit zo van dichtbij wel een kroon zien? vroeg ze zich af. Ze knikte en legde stapte dichter op de prins af. Hij beantwoorde die reactie, door zijn rechterarm om haar middel heen te slaan. De gestokte ademen gingen door de zaal heen, terwijl Roosje hemels zat te genieten.
Vanaf een afstandje zaten Claudia-Mille en Hendrik Senior met een geamuseerde blik te kijken naar hun jongste dochter, die zojuist boven alle verwachting, door de prins was uitgekozen. Claudia-Mille zag overal figuurlijke donderwolken boven de adelijke dames, terwijl Hendrik Senior overal rechtzaken, dreigingen met slechte afloop en een koude cel als eind.
De Eerste violist zette een kalm, romantisch lied in. Het orkest volgde weldra en de prins en zijn danspartner begonnen rustig heen en weer te bewegen. De muziek werd weldra wat vrolijker en het paar begon een wals, gevolgd door een lossere dans. Uren leken dagen, minuten leken uren en elke seconde leek een leven te duren, zo ervaarde Roosje het geweldige gevoel met de prins. Haar prins was helemaal onder de indruk en onder een kalmere dans vroeg hij haar: 'Wie heeft je zo leren dansen?'
'Mijn moeder,'' zei ze zacht, 'En de bezem uit de kast.'
'Wil je mijn complimenten over brengen aan je moeder en de bezem? Ze hebben uitstekend werk verricht, beter dan in jaren dat ik mee gemaakt heb.' Hij lachtte lief, maar de angst en de twijfel begon hardnekkig te knagen aan Roosje's gevoel. Had ze maar nooit over de bezem verteld, waar ze vele uren mee had geoefend, in de hoop dat ze ooit met een echte levende partner zou dansen. Opnieuw die twijfel. De boerengriet die met een prins danst, een komische vertoning van de bovenste plank! Ze stelde zich al voor; alle roddelaars die samenkwamen en haar publiekelijk vernederden. Nee! Ze moest stoppen! Ze was niet geschikt! En zonder afscheid te nemen, rukte ze zich los uit zijn armen. Alle ogen, zowel verrukte als ongeruste, waren op haar gericht. Het liefst zou ze nu door de grond zakken en voor altijd verdwijnen. Ze rendde de trap op en verdween uit de Raadszaal. Ze hoorde de prins niet meer, die haar toeriep: 'Wacht! Blijf hier, asjeblieft!'
Claudia-Mille had het al zien aankomen, dat haar dochter zou gaan doordraaien, zo tussen al die geweldige concurrentie en een schijnbare onbereikbare prins. Maar Roosje's moeder was niet gek, de jonge prins liet overduidelijk aan Roosje weten, dat hij haar zag zitten. En dat hij haar nariep, om haar terug te roepen, en zelfs te kalmeren, verbaasde en vooral verblijdde Claudia-Mille. Haar man zag ineens zijn dochter de trap oprennen en zei maar twee woorden: 'Oh nee.'
Een lakei die naast hen stond met hapjes, draaide zich om en liep naar Jaspers, fluisterde iets in diens oor en zo liep Jaspers naar de koning, die met een paar belangrijke raadsleden aan het praten was. Jaspers schraapte zijn keel, waardoor de heren ophielden met praten.
'Mijne heren, mijn excuzes dat ik u stoor, maar ik wil zijne koninklijke hoogheid iets persoonlijks vertellen.' zei de oude lakei met een verkrampte buiging. Een grote, dikke raadslid, zei: 'Kerel, ga rechtop staan. Om ons hoef je niet te buigen, je hebt ons respect meer dan verdiend, ouwe vriend! Wij gaan eventjes verderop met de dametjes klessebessen. Toedeloe!' En de heren liepen lachend weg van de koning. De koning wees naar de lege troon naast hem en beval Jaspers te gaan zitten. Een jonge lakei kwam aanzetten met een paar kussens en met een zucht ging de man zitten.
'Sire, uw zoon heeft zonet de Eerste dans gedaan.'
'Aha! Uitstekend! Hoe ging het?' vroeg de koning licht beschonken van de mede, en de laatste slok vloeide uit zijn gouden bokaal in zijn keel.
'Wel, in het begin goed, sire, maar zijn danspartner is na een lange tijd ineens gestopt met dansen. Ik vermoed dat een groot gebrek aan zelfvertrouwen en de indrukwekkende concurrentie hun oorzaak hebben.'
'En dus?' vroeg de koning ongeïnteresseerd, 'Dan vraagt hij toch een ander?'
'Nou.....nee, sire.' zei de lakei met een kort lachje. 'Hij roept haar.'
Nu kwam de koning werkelijk overeind en liep naar de deuren. Gevolgd door Jaspers en andere lakeien, zag de koning met eigen ogen hoe zijn zoon om ging met de opdringende dames en zijn wegrennende danspartner.
Thea van Dormant, Hieke Kollantier, Harmana Brugmans en Klassientje van der Goethhuys sprongen naar voren, nu zijn danspartner verdwenen was en dwongen hem een andere te kiezen. Hij schudde nee, en probeerde er tussendoor te komen.
'Dames! Laat mij door!' zei de prins. 'Ik wil niet met julie dansen! Laat mij nu door, of ik roep de wachten!'
Onmiddelijk gaven ze hem alle ruimte en meteen rende de prins de trap op, achter Roosje aan. Hij zag niet dat een oudere vrouw achter hem aan kwam rennen, de zoom van haar jurk op tilde en hem weldra inhaalde.
'Sire,' zei ze buiten adem. 'Mijn welgemeende excuzes voor mijn dochter.' De prins stond stil en keerde zich om. 'Mijn dochter is een lieve meid, heeft veel over, maar kan slecht over negatieve kritiek. Dat wou ik u zeggen, sire.'
'Dank je.' zei hij vriendelijk. 'Maar ik was niet van plan om uw dochter buiten het kasteel te zetten, nog een uitbrander te geven. Mevrouw, uw dochter heeft iets bij mij gedaan wat geen enkele rijke dochter van stand is gelukt. Ik wil alleen maar rust, zodat ik met haar kan praten, zodat ik haar kan laten zien hoe ik werkelijk ben, buiten mijn status van kroonprins om, als een liefhebbende jongeman. Ik geloof in liefde op het eerste gezicht, en ik geloof er heilig in, dat die deze avond is voltrokken. Ik voel mij verliefd, mevrouw, op uw dochter.' Claudia-Mille boog en zei met een glimlach: 'Ga dan, lieve prins. Mijn dochter is dan bijna twintig, ze is nog net zo broos als een tiener. Ik heb vertrouwen.' zei ze tenslotte en keerde om. Willem V duwde de twee deuren open en liep de trap af.
Op de gesloten binnenplaats was het rustig, de lakeien en de staljongens waren naar de keukens gegaan en Roosje zat alleen bij de fonteijn, te staren naar de beelden. Af en toe spatte er een drup water op haar gezicht, maar ze voelde het niet. Ze voelde alleen de spijt, het grote verdriet en haar lage afkomst had er alles mee te maken. Wat was zij nou in vergelijking tot Klassientje van der Goethhuys? Een dienstmeid zonder rang, zonder status. Ja! Haar vader was dan welvarender dan de gemiddelde arme koopman, maar veel beter hadden ze het ook niet. Ze moesten allemaal hard werken om het hoofd boven water te houden. Uiteindelijk had de prins wel gelijk, die dames daar in de Raadszaal wisten niet eens hoe ze een spons moesten vasthouden! Ze wisten niet wat werken in hield en als het op de prins zou aankomen, was het meer een huwelijk om status en invloed, dan om liefde. Echte liefde.
Ze hoorde voetstappen en keek op. Ze verwachtte een soldaat, of een lakei, die haar zou opdragen het paleis te voet te verlaten. Maar wie er ook uit de gang kwam lopen, had ze niet verwacht dat het de prins zou zijn. Waarom was hij hier? Waarom was hij niet met een andere jonge vrouw aan het dansen? Waarom moest ze elke keer vernederd worden? Ze verwachtte een stortvloed van vragen, vooral woede en teleurstelling.
Maar zijn ogen gloeiden niet van woede, maar van oprechte bezorgdheid. En liefde.
'Gaat het?' vroeg de prins. 'Mag ik naast je komen zitten?' Roosje knikte. Hij vervolgde: 'Ik had niet verwacht dat de dames zo vervelend zouden zijn. Ik heb vele dames leren kennen, sommigen iets minder goed, anderen helaas te goed, en geen van allen is uit op echte liefde. Als ik vrij mag spreken.....' zei de prins met een lichte buiging. 'Uw verhaal raakte mij, net als uw vertoning. U zal zich misschien wel ver beneden uw stand voelen ten aanzien van de adel, maar .....' Hij gromde, toen hij in zijn woorden verslikte. 'Wat ik wil zeggen, is dat je niet bang moet zijn voor de gevoelens van de dames daar. Wat ik van jou vind, telt alleen maar. Niet waar?' Ze knikte. 'Ik vind jou vele malen mooier, knapper en beter dan al die andere trutten daar in de zaal. En ik heb het niet alleen over de buitenkant. Weet je nog ons gesprek voor het dansen? Dat ik onder de indruk was van dat jij mee hielp in het huishouden van je ouders? Dat ben ik ook! Ik zie die zes-en-zeventig lelijke trutten echt niet hun eigen kamer onderhouden.' Hij leek nu een beetje onzeker. Roosje legde haar hand op de zijne en ze keken elkaar diep aan.
'Liefde gaat dieper dan de dood, zeggen ze in de Kerk.' zei Roosje zacht. 'Ik heb altijd geweten dat op een dag ik de ware zou tegen komen, die hetzelfde als mij denkt en mij lief heeft zoals ik ben.'
'Ik weet uit mijn eigen familie-geschiedenis hoe dat soort huwelijken eindigen. De koningen delen hun bedden met maitresses en hun vrouwen slapen met diverse edelen, in de hoop in de gunst te komen van de koning. Mijn grootvader was daar slachtoffer van en heeft de wrok ervan niet overleefd.'
'Wat erg voor uw grootvader.' zei Roosje met haar hand voor de mond. De prins schudde zijn hoofd.
'Hij wou op een feest mededelen, dat hij zou aftreden en zijn zoon, mijn vader dus, de troon zou bestijgen. En toen kwam Lothonius van der Goethuysen naar voren en stak mijn grootvader neer. Een domme beslissing, zo bleek achteraf, maar ja, de man hong geen half uur later aan de hoogste galg.'
'Wat treurig allemaal, voor u, sire.'
'Noem me Willem, asjeblieft.' zei de prins zacht. 'Ik heb af en toe genoeg van die beleefdheden. Ben tenslotte ook maar een mens. Zelfs mijn wapenknecht Bell noemt mij Willem, als wij alleen zijn. Of onder vertrouwden.'
'Zeker, hoogheid, ik zal u.....' ze bloosde ineens. 'Willem, ik heb mij niet eens voorgesteld, in alle commotie.' Ze stond op, maakte een reverence en sprak liefdelijk: 'Ik ben Roosje Tol, dochter van Hendrik Tol en Claudia-Mille. Mijn oudste zus is Miriam, die heerlijk in verwachting is van een jongen en Hendrik Junior is mijn jongste broer. Hij zou hier aanwezig moeten zijn, maar ik heb hem niet meer gezien sinds ik hem met die oude lakei zag praten.'
'Dan zal Jaspers hem vast wel wat inwerken.' zei Willem V met een grijns. 'Jaspers is dol op jonge jongens, en dan op normaal niveau. Jaspers zegt zelf altijd: "Jongemannen zijn net klei, je kunt ze kneden in elke vorm die je wenst. Hoe ouder, hoe moeilijk je de desgewenste vorm erin krijgt." Geloof mij maar, lieve Roosje, je broertje zit gebakken. Jaspers is een goede, zachte leermeester en als het niet uitkomt, geeft hij je meer de tijd, maar maak je er een potje van, is hij een harde.' Ze lachtten beide en opnieuw keken ze elkaar aan. 'Ik wilde je eigenlijk vragen of je met mij wat zou willen wandelen? Hier door onze paleistuin. Ik heb genoeg van het feest en wil met goed gezelschap mijn avond door brengen. Ga je mee?'
Nu was er geen aarzeling, geen twijfel die aan haar knaagde, alleen een diepe schreeuw die riep: ja! "Ja, Willem, met alle genoegen.'
'Karun!' riep Willem V en er sprong meteen vanuit een donkere hoek een kleine lakei naar voren. Het was een twaalf-jarige jongen die kennelijk al bekend was met de regels binnen het paleis. Hij boog diep en keek de prins verwachtingsvol aan. 'Karun, ga naar Jaspers en leg hem dit uit: ik en mijn gast zijn in de paleistuin. Ho ho, niet zo snel, kleine rakker! En vertel Jaspers dat iedereen over een uur weg mag, behalve het gezin Tol. Jaspers weet wel wie dat zijn. Kun je dat onthouden?' De jongen knikte en rende snel weg. Willem V grijnsde en zei: Hij is de kleinzoon van Jaspers, is al vanaf zijn zesde hier in het paleis te vinden en ondanks dat hij veel moet leren, is hij op de goede weg om zijn grootvader op te volgen. Mijn vader zegt dan altijd: "Toon altijd respect voor een werknemer, hoe laag dan ook, dan hebben zij ook respect voor jou." En dat blijkt inderdaad zo.' besloot hij met een grote grijns.
'En als u dat niet doet?' vroeg Roosje nu.
'Dan krijg ik een uitbrander van Jaspers, of van mijn vader.' zei de prins schouderophalend. 'Die van Jaspers is goed bedoeld, die van mijn vader voelt als de slag van een zweep.' Hij stak zijn arm uit en Roosje haakte de hare in de zijne. Zo liepen zij door de deuren van de stallen en de prins liet haar de paarden zien, die in de koninklijke stal stonden.
Het feestgedruis was langzaam aan rustiger geworden. Het orkest speelde nog wel, maar omdat er zoveel gasten al waren vertrokken, hielden zij het bij bekende liederen en dansen. Hier en daar dansten paartjes over de vloer, terwijl lakeien schalen met bokalen en etenswaren rondbrachten.
Claudia-Mille en Hendrik Senior zaten op een bankje, naast de oude lakeienmeester Jaspers, die hen met geuren en kleuren over hun zoon vertelde.
'Uw zoon is een uitmuntende jongeman, hij reageerd goed op veranderingen of op plotselinge orders. Het lijkt bijna alsof hij rechtstreeks van de scholing der lakeien is gekomen.' Claudia-Mille glimlachtte en zei:
'Hij helpt onze lakei Manfred erg vaak en geniet er ook van.'
'Nou zeker weten!' riep de oude lakei uit. 'En ik ook! Als ik vijf jaar de tijd krijg, tover ik hem in een meesterlakei, die de koning op zijn wenken kan bedienen en sneller reageerd dan welke lakei dan ook. Als het aan mij ligt, zal er heel snel een jaarcontract klaar liggen voor uw zoon.'
'Ow dank u.' zei Hendrik Sr. 'Wij hoopten dat u iets aan onze zoon had, aangezien hij niet echt verstand heeft van zaken doen, van het harde leven om het zo maar even te zeggen. Mijn dochter daarin tegen is wel erg goed en ik hoop dat haar zoon dat ook is, als die groot genoeg is om in de kennis te worden mede gedeeld.'
'Ik hoop het wederzijds, mijn heer,' zei de oude lakei en stond op. 'Ik moet weer gaan. Fijn u gesproken te hebben en ik zal u berichten zodra ik meer weet over dat jaarcontract. Fijne avond!'
'Vertel me eens over jou wapenknecht.' zei Roosje. Ze zaten op een bankje te midden van de grote paleistuin. Rechts van hun stond verschillende soorten rozen, waaronder stokrozen en veel diverse rozen die in de warmere seizoenen vele kleuren gaven. Met hartje winter bloeide er geen roos en de planten waren goed geschermd tegen de vrieskou. Links van hen, niet ver van het bankje, stond een grote muur, met gaten erin en op diverse plaatsen groeide klimop.
'Bell is een simpele jongen. Zijn grootvader is jarenlang wapenknecht van mijn vader geweest en zijn vader is ook weer een belangrijk iemand geweest voor onze familie. Hij houdt van zijn werk, hij hunkerd heel erg naar het boerenwerk en het leven op een boerderij. Maar met mij mee lopen, mijn wapens dragen en mij beschermen, doet hij met een toewijding die je nergens anders ziet. Als ik ooit de kans krijg, zorg ik ervoor dat hij een mooie boerderij krijgt, een ring voor zijn geliefde en laat ik op eigen kosten zijn huwelijk voltrekken.'
'Wat lief!' zei Roosje en kroop tegen de prins aan. Het was koud, maar de warmte van de prins warmde haar wat op. Hij sloeg een arm om haar heen en ging verder.
'Vorig jaar was er een man die mij probeerde aan te vallen, eerst mondeling, maar toen hij fysiek over ging, sprong Bell tussen beide. Ik heb de woorden gedeeltelijk onthouden, maar hij sprak op een boerse taal. "Dat is de prins, jij dwaler! Ziet en zegert neer! Schuimbekkende dwaars!" Of zo iets.' Roosje moest lachen.
'Willem, dat was geen boerse taal. Dat is lijnrechte schuttingtaal. Het is wel lief dat je veel liefde en respect voor hem hebt. Als je de kans krijgt om hem te belonen met een boerderij, een ring en een huwelijk, moet je dat vooral doen. Ik zou boos worden als je dat zou laten.'
'Dank je.' zei hij zacht en kustte haar. Zij beantwoorde zijn kus en gedurende een paar minuten bleven ze staan.
Toen keek Roosje Willem aan en vroeg: 'Vertel me over je dromen. Wat wil je allemaal gaan doen? Wat wil je bereiken voor je dertigste? Droom je van kinderen?' De prins keek geschokt naar haar. Even vloeide de twijfel in Roosje's lichaam, maar zodra de prins hartelijk begon te lachen, zakte die weg.
'Laten we beginnen bij één, en we zien wel waar we eindigen.' zei Willem V, nam Roosje in zijn armen en samen liepen ze langzaam terug naar het paleis.
Hoofdstuk 5 (1.1)
5
Badeldhân was een klein stadje, opgetrokken uit de oude stenen die men daar aantrof. De stad was al vele eeuwen oud en had al menig aanvallen te verduren gehad. Via vier wegen kon men overal in de stad komen en via een poort, gelegen op het oosten, kwam men op het terrein van St.Carlos, de grote kathedraal van Badeldhân. In rijkere tijden kwam de edelen naar de kerk om hun God te aanbidden. Naast de grote kathedraal lag het klooster van St.Carlos, waar de kloostergemeenschap aldaar woonde en in hun kleine tuinen vele groentes en ook bloemen verbouwden. Carlos, een dikke, maar vredelievende monnik, leefde driehonderd jaar geleden en leidde het gemeenschap met een eigenzinnige boodschap: “Heb lief, alles wat leeft, zorg voor hen die niet zelf kunnen zorgen en denk niet anders over anderen, opdat zij dat ook niet over u denken.” Op een plein voor de kathedraal stond een beeld van deze monnik, met in zijn ene hand een boek, in de ander een takje. Op zijn kale hoofd zat een duif te sluimeren in de middagzon.
Zo zag prins Willem V St.Carlos, de heilige monnik van Badeldhân voor het eerst.
‘Veel heb ik gehoord en gelezen over deze heilige, maar om zijn aangezicht te aanschouwen, doet mij eer.’ Zei de prins zacht.
‘Ik denk dat die duif daarzo er hetzelfde over denkt,’ zei de wapenknecht grappend. Er waren een paar gardisten die lachten. ‘Waarom heeft hij dat takkie vast?’
‘Dat takje staat voor het onschuld, mijn waarde diener.’ Zei een stem achter het beeld. ‘Carlos had alles lief en zorgde voor alle onschuldigen, met alle middelen die hij bezat.’ De stem kwam van een man, niet veel ouder dan de prins. Hij had een baard die opviel en zijn ogen waren blauw en vol kracht van geloof. ‘Ik ben Domi Emmanuel en u bent prins Willem V, zo te zien. Welkom.’ De man maakte een buiging en glimlachte.
‘Ik dank u, Domi Emmanuel.’ Zei de prins, ‘U komt op het juiste moment tot ons. We rijden naar Dorburgh, om de gevallenen te eren en de slachtoffers bij te staan.’
‘Ik ben gezonden door Vader Gardon, om u bij te staan en de slachtoffers een woord van troost te geven.’ Zei Emmanuel en liep naar twee monniken, die een paard brachten. ‘En ik zal met u meerijden.’
Zij gingen op weg, reden langs de kathedraal en het klooster en gingen door een poort, gelegen op het noorden en reden zo door tot zij buiten de stad waren. Hierna sloegen zij af naar het westen en volgden de geplaveide weg naar Dorburgh.
Dorburgh was een klein stadje, gelegen aan de grote rivier Balkabûr. Op de hogere oevers van de wilde rivier wierp men een stad op, die zowel boeren en arbeiders vestigde, als zeelieden, matrozen en het stadvolk. Er woonden in de stad twee belangrijke families, die verwant waren aan de koning, maar zich zelden met landzaken bemoeiden dan met hun eigen zaken.
Prins Willem V, Bell en Domi Emmanuel reden tussen de gardisten in en kwamen ten zuiden van de stad binnen. Net als in Willems-Stad waren hier de huizen dicht op elkaar gebouwd en leken ze elkaar te steunen. Er waren vele herbergen, kroegen en hoerenkasten in Dorburgh. Vele kroegen hadden nautische namen, zoals ’t Zwaaiend anker, Swierende giek en Kap’teins hutske. De hoerenkasten werden druk bezocht door de vele matrozen en soms ook rijkere edelen die hun ei kwijt moesten. Bell leek niet echt onder de indruk, maar op de prins en Domi maakte dit wel indruk. Veel had de prins geleerd, maar niets over het eenvoudige leven van een arbeider of matroos. In zijn ogen waren er alleen maar ridders, kloosters en koningen geweest.
Zij reden door tot aan de haven. Emmanuel hield een man aan. De man hield een half lege drankfles vast en de onmiskenbare drankkegel ontmoette de Domi.
‘Vertel mij, waarde gelovige, waar ik de plek des onheils kan vinden?’ vroeg hij zacht. De man wees naar het zuidoosten van de stad.
‘Vijf minuutjes rijden, uwe hoge.’ zei de man lispelend. En hij liep met een dronkenmans loopje weg.
Zij kwam aan bij de muur waar eerder vijf gardisten op mysterieuze wijze waren gesneuveld. Prins Willem V steeg af en liep naar de trap, die omhoog liep naar de muur. Een officier rende naar de prins en versperde hem de weg.
‘Niet doen, uwe hoogheid,’ zei de man bang. ‘Het is gevaarlijk! Deze muur is behekst! U zult daarboven sterven!’
‘Dat maak ik wel uit, soldaat.’ Zei de prins streng. ‘Uit de weg! Roep uw dienstdoende officier. Nu meteen!’ De soldaat rende weg en de prins vervolgde zijn weg omhoog.
De kantelen van de stad waren vierkant en groot. De prins ging met zijn rug tegen een kanteel staan en keek uit over de stad. Bell en Domi Emmanuel voegden zich bij hem en keken naar beneden. Er was rumoer ontstaan tussen de bijgelovige soldaten en gardisten. Enkelen keken bang omhoog naar de prins, alsof ze verwachten dat hij snel neer geschoten zouden worden. Een paar schoten een schietgebedje, in de hoop dat God hen zou beschermen. Maar anderen keken juist hoopvol, omdat naast de prins Domi Emmanuel stond, een dienaar van God en van de kerk.
Er kwam een oude veteraan de muur opgelopen. Zijn maliënkolder glom dof en aan zijn zijde hing een slagzwaard. De man had een oog verloren, maar zijn woeste baard gaf aan dat deze man menig schermutseling had overleefd.
‘Sire, het spijt mij van mijn mannen.’ Begon de man met een zware stem. ‘Ik zal de man er goed voor straffen.’ De prins stak zijn hand op.
‘De man had het recht om mij te beschermen, generaal Trandell.’ Zei de prins met een glimlach. ‘Eer hem, straf hem niet voor deze daad. Vertel mij nu wat hier is gebeurt.’
‘Wel sire,’ begon Generaal Trandell, ‘gister viel één van mijn mannen hierzo van de muur. Gardist Jorbert stond erom bekend dat hij graag een pilsje mocht nuttigen, ook binnen de diensttijd en we dachten eerst dat hij zo zat was dat hij van de muur was geflikkerd. Maar toen we pijl zagen, wisten we wel beter. Mijn onderofficier had pijl gezien en onderzocht. Vergiftigd, uwe hoogheid,’ zei de Generaal met angst in zijn ogen. ‘Een lange pijl, een punt met weerhaakies eraan en veren, zo zwart als de nacht. Een afschrikkend voorwerp zo op een avond als gister.’
‘Breng mij die pijl.’ Zei de prins. ‘Waar is uw onderofficier?’
‘Gesneuveld, tezamen met drie anderen die te nieuwsgierig waren en over de rivier heen keken.’ De prins draaide zich om en keek tussen de kantelen door naar de woeste rivier. En het donkere woud aan de overzijde. ‘Daar ligt het Duistere woud, sire. Velen die naar haar kijken, zullen sneuvelen, omdat zij haar aangezicht hebben gezien. ‘
‘Waar werden volgens u de pijlen afgeschoten?’ vroeg Bell ineens. De Generaal keek hem verbaasd aan, maar sprak: ‘De pijlen kwamen van over de muur. Er is geen ruimte tussen deze muur en de steile oevers van de rivier om een boogschutter de kans te geven zo op mijn mannen te schieten. En van over de rivier lijkt het mij ook sterk dat een boogschutter zo ver kan schieten.’
‘Die verrekte duivel van een Silverburg zal er wel mee te maken hebben!’ riep een soldaat. ‘Immers hij is een mengelmoes van een mens en een duivel. Dat soort uitschot zoekt nu eenmaal problemen!’
De prins liep weg van de muur en liep op de man af. ‘Vertel mij meer over hem.’
‘Hij is een half mens, half duivel. Hij beweegt sneller dan de snelste soldaat onder ons en is in staat te verdwijnen in de schaduw. Zwart is zijn kleding en zwart is het laatste wat je ziet, als je hem tegenkomt. Zilver is zijn wapenuitrusting en niemand ontkomt aan zijn pijlen.’
‘Weet u dat toevallig ook waar deze man zich nu bevind?’ vroeg de prins met opgetrokken wenkbrauw. De soldaat schudde zijn hoofd.
‘Weet alleen dat de kerk hem beschermt alsof het een zoontje van God is.’ Zei de soldaat met gebogen hoofd.
‘Ik weet genoeg, ga terug naar uw post. U allemaal.’ Zei de prins en keerde terug naar het gezelschap.
‘Ik snap er niks van.’ Zei hij zacht tegen Emmanuel.
‘Ik wel.’ Zei hij zacht en vervolgde: ‘Ik leg het u uit als wij in Badeldhân terug gekeerd zijn.’
De prins en Domi Emmanuel liepen naar de tent met de slachtoffers en spraken met hen. Vele waren bang en durfden niet meer de muur te beklimmen, in de angst dat zij het zelfde lot zouden krijgen als hun broeders.
Kort erna vertrokken zij weer terug naar Badeldhân.
‘De duivel waar de soldaat over spreekt is maar voor de helft waar.’ Zei Domi Emmanuel, toen zij in de kathedraal van Badeldhân waren terug gekeerd. ‘Deze man is inderdaad een mengel, maar wel iemand met gevoel voor eer. Hij is dienaar van de kerk en dient Vader Gardon. Ik zal u een verhaal vertellen over Vader Gardon, toen hij Domi was hier. Er woonde in Dorburgh een gezin, de familie Silverburg. Vader Hendrik en moeder Martha. Zij hadden een zoon, Mattheas. Op een middag reed de familie naar Badeldhân voor een dienst hier in St.Carlos. Onderweg werden zij aangevallen door een groepje duistere wezens. Shiul noemen wij hen, zwarte Elfen zijn het. De ouders zijn gedood, direct en zonder wroeging. De kleine Mattheas is opgejaagd als een bange hond, halfdood trof Domi Gardon hem aan, hier aan de voet van dit klooster. Toen Gardon hier als Vader werd benoemd, ontfermde hij zich over de jonge Mattheas. Er was iets vreemds aan deze jongen. Hij groeide langzamer dan een normaal kind. Op zijn huid droeg hij donkere vlekken, zijn ogen waren geel en zijn bloed was groen. Zowel ik als Gardon wisten meteen dat hij mengel was van een Mens en Shiul. Toen we op onderzoek uitgingen, hoorde we een verhaal over Hendrik, die verliefd was geworden op Shiulvrouw en met haar had gevreeën. De moeder werd kort na de geboorte van Mattheas verbannen en naar de verwekker van haar zoon gestuurd. Vijf jaar later vonden beide de dood, behalve Mattheas, door hem die haar verbande. Karuak.’
‘Ik dacht dat de kerk niet geloofde in zulke verhalen.’ Zei de prins. ‘Ik heb geleerd onder Paus Cardus en ik sta er van te kijken, dat een dienaar van de kerk zulke woorden spreekt.’
‘Zij die ver van gevaar zijn, zijn zich niet vaak bewust van het gevaar, prins van Germania,’ zei Emmanuel. ‘Mattheas is gegroeid en in de gunst van Vader Gardon is hij jager geworden. Zwart is zijn mantel, zijn lange jas en zijn hoed. Zilver zijn de wapens die hij draagt.’
‘En waar is deze Mattheas nu dan?’ vroeg Bell en keek om zich heen. De stilte in de kathedraal was drukkend, geen geluid van een koor of enig muziekinstrument. Alleen de adem van de drie aanwezigen.
Ineens klonk er vlakbij geklap. En een kort lachje. De prins keek verschrikt op, Bell sprong in een verdedigende houding, maar Emmanuel bleef onbewogen staan.
‘Vrees niet, prins.’ Zei de Domi, ‘u staat op het punt om de duivel, volgens de beste soldaat, te ontmoeten. De trots van Gardon en Badeldhân. Ik stel u voor, Mattheas Silverburg.’
Uit de schaduwen trad een gestalte. Gekleed in een lange, lederen jas en een grote gitzwarte hoed. Slechts zijn heldere gele pupillen waren te zien. De jager droeg een groene ring en zijn gezicht was jong, maar de ervaring in zijn ogen spraken anders.
‘Zelden komt het voor,’ sprak Mattheas met een zangerige, heldere stem, ‘dat mijn naam word genoemd bij de dood van soldaten. En dan nog wel in Dorburgh.’
‘Het zal je altijd achtervolgen, vrees ik,’ zei Domi Emmanuel, ‘Mattheas, ik stel je voor aan prins Willem V, prins van Germania en zijn wapenknecht Bell.’ De jager maakte een korte buiging en kwam dichterbij.
‘Gegroet,’ zei Mattheas, ‘het is mij een eer u te ontmoeten, prins van dit land. En ook u, wapenknecht van de prins, die graag boer had willen zijn.’ Mattheas glimlachte toen Bell naar hem opkeek. De jager was lang en niet onknap in het gezicht. ‘Ik zie dat u mij indrukwekkend vind.’
‘Klopt het dat u verantwoordelijk bent voor deze hele situatie in Dorburgh?’ vroeg de prins en keek naar de jager. Mattheas wende zich tot hem en keek hem indringend aan.
‘Nee.’ Zei hij zacht, ‘Karuak’s troepen zijn hier verantwoordelijk voor. Aangezien zij van hetzelfde soort zijn als mij en een soldaat een glimp heeft opgevangen, krijg ik hiervoor de schuld.’
‘Is het uw schuld?’
‘Nee, want ik jaag alleen in opdracht. Er zal slechts één persoon zijn die ik zonder opdracht zal doden.’
‘Degene die jou ouders heeft gedood en jou heeft opgejaagd.’ Zei Emmanuel. ‘Ga maar gauw, je uitrusting staat gereed.’
‘Heeft u geen paard voor hem?’ vroeg de prins.
‘Ik ben niet sneller te paard, maar een paard is uiteindelijk eerder een last dan een schat. Ik loop en reis alleen. Gegroet en tot de keer dat wij elkaar weerzien.’ Zei Mattheas en verdween in de schaduwen. Willem V knipperde met zijn ogen en keek Domi Emmanuel aan.
‘Hij is een vreemd heerschap, maar beschouw dit als het begin van een vriendschap, prins. Mattheas heeft in zijn vele jaren al flinke mijlen afgelegd, vele dingen gezien en geleerd. Mocht u ooit aan iets twijfelen, vraag het Mattheas. En als u verslag doet bij uw vader, laat Mattheas en zijn verbintenis met de kerk erbuiten. Gardon is bang voor de grote kerkvader en zijn grootste dienaar, Calleni.’
‘Ik zal hen niet noemen, zoals u mij vraagt.’ Zwoer de prins. ‘Gegroet, en God zij met u.’
‘God zij met u allen op uw reis terug.’ Zei de Domi met een buiging. ‘Het was mij een eer u te ontmoeten, mijn prins.’
‘Vaarwel.’ Willem V keerde om en liep de kathedraal uit.
Abonneren op:
Posts (Atom)