Over mij

Mijn foto
Workum, Friesland, Netherlands
Ik ben Feike Dijkstra, ben een gescheiden vader van 27 jaar en woon (en werk) in Workum. Bij het biologische akkerbouwbedrijf It griene strân (Het groene strand) ben ik verantwoordelijk voor alle dagelijkse klussen, zoals zaaien, oogsten, schoffelen en vrijhouden van onkruid, planning en onderhoud van de machines. Je zou zeggen: erg druk dus....ja, inderdaad, ik werk meestal van zeven uur 's ochtends tot de klok van vijf uur 's middags....ben ik dan moe? Ja, maar wel zeer voldaan. En dit vanaf Maart/April tot ver in November. Elke week schrijf ik een column over het reilen en zeilen van het akkerbouwbedrijf. En die zal ik in deze blog publiceren, wat voorheen alleen nog in de wekelijkse Nieuwsbrief van Gezond gemak verscheen.

zaterdag 7 januari 2012

Hoofdstuk 1 (1.1)

1
Een kraai dook van de muur.
Prins Willem V stond op de vestingmuren en keek uit over de ver gestrekte landerijen van Brugge. Deze bevonden zich voornamelijk aan de noord- en oostelijke kant van de stad. Zomers waren het groene weiden waar vee graasden, boeren en arbeiders hard werkten in hun akkers. Maar zo in de winter was het een koud, dor oord, waar niks leefde of kon overleven. Verder weg, gelegen in mist en een schaduw, lagen de bergen van Bolsuru.
'Het geeft mijn de kriebels, hoogheid.' zei een zachte stem. Willem V keek opzij en zag zijn wapenknecht staan, Bell. Met een duidelijke eerbiedige houding wees de wapenknecht naar het oosten. Zijn wapenknecht was vijfentwintig jaar oud en was gekleed in een lederen borstkuras en een eenvoudig tuniek en broek. Zijn laarzen waren donker bruin en zaten onder de modder. De knecht had niet de geestelijke kracht, zoals Willem V, maar zijn liefde voor werk en zijn grote droom, een eigen boerderij, hield hem op de been. Na vijf jaar was hij nog steeds onder de indruk van de grote trouw die Bell had getoond. Hij mocht Bell erg graag, zo bemerkte hij. Aangezien hij de kroonprins van Germania was, en Bell niet meer dan een gepromoveerde lakei die in gevaarlijke tijden hem moest beschermen, maar ook zijn wapens droeg. Maar toch voelde de prins dat hun relatie verder ging dan de relatie tussen prins en een eenvoudige wapenknecht.
'Het geeft mij ook de kriebels, Bell.' zei Willem V en keek weer over de muren van Brugge.
De prins dacht terug aan de vele klasse verschillen, zowel in geloof als rijkdom. In de grote steden heerste de Kerk met harde hand en iedere mens die niet tot hun orde behoorde, werd uitgejoeld, gepest of zelfs met de dood gedreigd. Die aparte soort waren de heidenen, de aanhangers van een oudere religie. De Kerk had één God en een profeet, die meerdere Goden en Godinnen afkeurde. In onrustige tijden waren leden van de Kerk bezig met het bekeren van Heidenen, het vernietigen van oude heiligdommen en het plaatsen van kapelletjes met de heiligen van de Kerk. De prins vond het jammer dat er vele mensen gestorven waren, omdat zij hun eigen geloof wilde behouden, ten koste van hun eigen leven.
Hij zette het van zich af en keek weer over de muur.
Ten westen van Brugge lag op een paar mijl afstand de Balkabuur, de grote rivier die diverse aftakkingen had naar de hoofdstad Willems-Stad en de andere steden en dorpen. De brede rivier liep in zuidwestelijke richting en monde uit in de oceaan. Hoever de Balkabuur naar het noorden liep, wist Willem V niet precies. Hij leerde vooral over het besturen van het land, de ingewikkelde regels en omgaan met het gekonkel van politici, niet over rivieren die ver buiten de grenzen van Germania gingen.

Een gardist van de Stadhouder kwam nader. Hij was gehuld in maliën en droeg aan zijn zijde een rapier. Zijn helm was rond en liep spits toe. Vrijwel alle kledingstukken die de gardist droeg, waren bruin van kleur, op een blauwe sjerp na, wat wees op een officier.
'Sire.' zei hij buigend. 'De Stadhouder verwacht u.'
'Ik dank u, officier van de wacht.' zei de prins met een eerbiedige knik. 'Kom, Bell, de Stadhouder wacht.'
'Ja, hoogheid.' zei Bell met respect en liep achter de prins aan. Zij liepen via een stenen trap de terracotta-gekleurde vestingmuur af en gingen achter de gardist aan, die hen door de stad leidde.

In het Stadhouderspaleis, eens het paleis van de oude koningen, zat op een eenvoudige zwarte zetel, de Stadhouder van Brugge. Hector-William Verlangha was zesentwintig en sinds twee jaar de jongste Stadhouder uit zijn familie. Achter hem stonden twee gouden tronen op een verhoging. Hier troonde wijlen koning Willem I van Germania.
Vier eeuwen lang regeerden de Stadhouders over Brugge, in naam van hun koning. Destijds troonde de koning in Brugge, maar door een serieuze dreiging besloot de koning en zijn gevolg te verhuizen. Hun vijand waren de Iralen, een bruut volk die niks anders deden dan moorden, plunderen en elkaar uitdagen tot een gevecht. Zij waren de meest gevreesde wezen op Arvalü.
De Stadhouder stond er echter niet alleen voor. Achter hem stonden acht Paardenheren, die elk een deel van de stad beheerden en zo hun belasting afdroegen aan de koning. De Paardenheren hadden elk hun graafschap, waar zij hun grootste bezit, hun paarden en hun ruiters, huisden. Tezamen met de Stadhouder vormden zij het bestuur van Brugge.

De oude troonzaal was leeg. Aan weerszijden van de zaal stonden banken, versierd en gewatteerd in rode en blauwe stoffen. Boven de banken hingen acht banieren, elke banier vertegenwoordigde het huis van een Paardenheer. De zaal was slechts verlicht met een kroonluchter, gevuld met talloze kaarsen, die in het midden van de grote zaal hing. Dezer ochtend brandden er maar een paar kaarsen. Midden in de zaal stond een spreekstoel en een ronde verhoging met een haard. Het vuur brandde zachtjes en gaf een zachte, warme gloed. De eikenhouten blokken in het vuur gaven een heerlijke, zoete geur af.
Hector staarde naar het haardvuur en dacht aan zijn vrouw, Clementine. Zij was dochter van Paardenheer Jacob van Goethhuyzen, een van de acht Paardenheren. Al vijf jaar waren ze getrouwd en twee zwangerschappen waren uitgelopen in een miskraam. Het bracht het Stadhoudersstel niet alleen pijn en verdriet, maar ook een steek in hun zelfvertrouwen. Nu Clementine opnieuw zwanger was, bad hij tot God voor een beetje geluk. Geluk in zijn leven dat hij een levende opvolger aan Brugge kan tonen.
Een lakei kwam de troonzaal binnen en liep naar de Stadhouder toe.
'Sorry dat ik u stoor, mijn heer,' zei de lakei met een buiging. 'Maar prins Willem V is gearriveerd met zijn wapenknecht. De Garde kreeg bericht van de Stadwachten dat de prins en zijn knecht alleen over de oostelijke vestingmuren liepen.'
'Goed werk, zeg dat tegen de Garde.' zei de Stadhouder en ging staan. 'Laat de prins binnen. Stuur zijn knecht maar naar de keuken toe.'
'Ja, mijn heer.'
Als zoon van de koning, de erfgenaam van de troon, was het niet bepaald slim om alleen door Brugge te lopen. Vooral het oostelijke deel van de stad werd geteisterd door dieven, messentrekkers en ander tuig uit de lagere bevolking. Hector draaide zich om en keek naar het banier van de koning. Een gouden kroon, met rode, groene en paarse edelstenen erin, een zwaard door een gouden ring gestoken. De kroon was door wit licht omringt. En zwaard gloeide. Het koningszwaard dat niemand anders kon hanteren dan de koning of de wettige erfgenaam zelve.
'Het is een mooi wapen, al zeg ik het zelf.' sprak de prins achter hem. Hector draaide zich om en boog diep voor de prins.
'Hoogheid, welkom terug hier in Brugge. Ik hoorde al dat u het oostelijk deel van de stad hebt bezocht. Het gevaarlijkste deel van Brugge.'
'Je klinkt mijn moeder wel.' zei de prins lachend. 'Ik ben oud genoeg en ik kan me prima redden.' Hij klopte met nadruk op zijn sabel.
'Het is gevaarlijk genoeg in dat deel van Brugge.' zei de Stadhouder en glimlachte toen. 'Hoe was het in het noorden, Sire?'
'Prima.' zei Willem V en liep naar het haardvuur. Terwijl hij zijn handen warmde, vervolgde hij: 'Graaf Diederik Dock is een aardig man. Hij en zijn familie zijn een goede steun voor de samenleving aldaar. Ik betreur slechts de moeizame samenwerking tussen het noorden en Brugge. Waarom reageerde u niet op een hulpkreet van graaf Diederik, toen hij last had van plunderaars?'
'Hij heeft zelf genoeg mannen, hoogheid.' zei de Stadhouder en kwam ook naar het haardvuur gelopen. 'Wij hebben als raad gestemd. Er waren zeven leden tegen, hoogheid. Zo doende.' Hector kreunde, alsof hij iets wilde verzwijgen. 'En graaf Diederik heeft Brugge beledigd, hoogheid. Door simpel gezegd de Paardenheren een stelletje boeren te noemen. Mijn Paardenheren zijn stuk voor stuk trouwe mannen, maar een belediging aan hun deur nemen zij geen genoegen mee.'
'Ik snap het punt.' zei Willem V en liep naar de gouden tronen. 'Ik zal graaf Diederik adviseren zijn excuus te maken.' Willem V nam plaats op een van de tronen. De prins was een niet onknappe negentien jarige met lang donker haar. Zijn heldere blauwe ogen straalden gezag en respect uit. Zijn mantel was donker groen en zijn donker blauwe pak met bijpassende laarzen. Op zijn hoofd had de prins een gouden diadeem met een klein blauw steentje erin. Willem V keek de Stadhouder aan.
'Het staat u goed, hoogheid.'
Stilte. Alleen maar stilte en het geruis van de open haard.
'Zeg, Hector.' begon Willem V ineens. 'Wat weet jij van de Mensheid?'
'Hoe bedoelt u, hoogheid?'
'Zijn wij Mensen de enigste op aard’? Of zijn er meer volkeren?'
'In het oosten, ver achter Bolsuru wonen de Araaben, zij zijn Mensen zoals ons, maar dan van een ander ras. Hoezo?'
'Op de terugreis kwamen wij drie vreemden tegen. Twee van hen waren zeven voet lang en hun huid was leerachtig, donker van kleur. Hun bloed was groen! Groen zeg ik je! Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Jij wel, mijn beste Stadhouder?'
'Nee, sire.' zei Hector hoofdschuddend. 'Ik ken niet dat soort wezens. Groen bloed?'
'Dan was er nog een Mensachtige met een open kin en twee kleine slagtanden. Het was een kleiner mensachtig wezen met vies haar en een gore adem. Komt je dit misschien wel bekend voor?' De Stadhouder schudde slechts zijn hoofd. 'We onderschepten hen, ziet u. Hun dialoog ging overduidelijk over een verbond tegen de Mensheid. Ik en Boris hoorden over belegering van steden en het veroveren van de wereld. We hebben ze alle drie gedood, helaas. Graag had ik ze mee willen brengen naar Willems-Stad voor verhoor.'
'Ik zal met de Paardenheren overleggen meer een oog op vreemdelingen houden, hoogheid.'
'Helemaal fantastisch, Hector.' zei Willem V en schudde de hand van de Stadhouder.
'Ik zal een koets voor u regelen, hoogheid.' zei de Stadhouder, 'U kunt zo niet door de stad reizen, tezamen met uw wapenknecht.'
'Als mijn wapenknecht maar wel mee op de koets rijdt, vindt ik het prima, Hector.' De Stadhouder ging de prins voor de oude troonzaal uit.
Willem V keek naar het banier van de Stadhouders, die boven de deuren van de troonzaal hing. Het was een bruin kleed met een wit glanzend paard dat steigerde en een ruiter met een getrokken zwaard erop afgebeeld. Grimboull de Oude, de trouwe Paardenheer van Brugge en later de begenadigde Stadhouder van diens stad.
Zo verliet prins Willem V de zaal.

Bell deed zijn best om zich vast te houden. De koets vloog over de breed geplaveide weg, nadat de koets was over gezet door een pont over de rivier Borma, een zijtak van de Balkabûr, die dichtbij Brugge liep. Links en rechts vloog het land langs hem heen. Dan passeerden zij een verwilderd stuk bos en kort erna reden zij langs akkers, bewerkt en met liefde gezaaid.
Bell had het niet zo op varen en al helemaal niet op koetsen. Hij zat achterop een smal zitje en hield zich krampachtig vast. De koetsier was een vijftig jarige veteraan die zijn vier paarden flink op joeg. Rondom de koets reden tien soldaten te paard mee. Niets liet de Stadhouder aan het toeval over.
Bell dacht terug aan het korte moment in de keukens van het Stadhouderspaleis. Nadat hij een brood had gegeten, was hij op zoek gegaan naar zijn geliefde, Mieke. Ze was dienster, in dienst bij de Stadhouder en al acht jaar waren ze geliefden. Ze was drie jaar jonger dan Bell en smoorverliefd waren ze op elkaar. Als Bell een ring kon kopen, zou hij met haar kunnen verloven. Zou hij een huis weten te vinden, zou hij haar huwen en aldaar gaan samenwonen.
Een schok bracht hem terug naar de werkelijkheid. De koets vloog langs Willems-Dorp. Hij zag nog een enkele arbeider werken op de akkers buiten het dorp. Er werd op het land riet geoogst. Een groepje vrouwen werkten in een kring en maakten van het riet  vogelverschrikkers.
Het dorp Willems-Dorp had een eenvoudige stenen ringmuur en via drie poorten kon men het dorp binnenkomen. Kooplui, bodes en knechten liepen af en aan voor hun handeltjes en hun meesters. Aan de kleine haven ten zuiden van het dorp lagen een paar vissersschepen afgemeerd en laden hun kostbare lading uit. Van alle schoonheid die de wapenknecht zag, zag Bell in een flits een oude, kleine boerderij staan.

Niet veel later sloeg de koets rechtsaf. Na ongeveer een mijl reed de koetsier over een grote en hoge brug, waar de rivier de Kalmoes onder door stroomde en stoof in rechte vaart op Willems-Stad af.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten