7
Een hamer sloeg drie keer.
'Stilte!' bulderde een harde stem. De kakefonie van de honderd raadsleden begon langzaam
af te zakken en de huidige voorzitter, de interim-voorzitter als hij werd genoemd, begon
opnieuw te spreken.
af te zakken en de huidige voorzitter, de interim-voorzitter als hij werd genoemd, begon
opnieuw te spreken.
'Welkom, mijn heren, in deze raadsvergadering, het is woensdag de vijftiende December en ik
vraag u aandacht voor de beëdiging van Henry van Zwijnenburg, die op verzoek van de koning,
is aangesteld als Voorzitter van de Raad. Heer Henry, wilt u naar voren komen en zo nodig
vragen van de raadsleden beantwoorden?'
vraag u aandacht voor de beëdiging van Henry van Zwijnenburg, die op verzoek van de koning,
is aangesteld als Voorzitter van de Raad. Heer Henry, wilt u naar voren komen en zo nodig
vragen van de raadsleden beantwoorden?'
Henry was gekleed in een lang grijs gewaad, hij droeg geen hoofddeksel hoewel de andere aanwezigen wel een hoed droegen. De raadsleden waren gekleed in een rood gewaad, met een rode, ronde hoed op hun hoofd. Als de leden een vraag hadden, of ergens over moesten stemmen, deden ze dat met een wit en een zwart bord. Wit stond voor "Eens" of "Vraag", zwart voor "Oneens".
De voorzitter zelf droeg een zwar gewaad en een tricourne, een drie-puntige hoed en een ceremoniele hamer. Deze zwarte hamer had genoeg kracht om de ergste discussie te overstemmen.
Voor de raadsbanken stonden drie zetels, en een tafeltje waar een griffier noties maakte van de Raadsvergadering. Op twee van de drie zetels zaten de koning en zijn zoon. Naast hem zat Henry, die op stond en naar voren liep. Hij stapte op de verhoging en keek de raad aan.
'Goedenavond.' begon Henry met een vriendelijke stem. 'Mijn naam is Henry Van Zwijnenburg, ik ben een getrouwd man, heb een zoon en ik heb via mijn familie vernomen dat de koning een nieuwe adviseur zocht. Ik ben meteen gekomen, in de hoop nog in de smaak te vallen. Ik heb vele mensen met hoge functie's geadviseerd en ik ben ook als voorzitter aan diverse raden aangesteld geweest.' Zijn stem was krachtig en goed te verstaan, ook bij de oudere raadsleden. Er ging een wit bordje omhoog. Henry wees naar het bordje en de desbetreffende raadslid stond op.
'Welkom in ons midden, heer. Mijn vraag is van welke familie u afkomstig bent?'
'Ik ben afkomstig van de familie Van Zwijnenburg, ik heb familie-leden in het noorden en in Soermondt, de havenstad in het zuidwesten.'
'Heeft u naast het Voorzittersschap ook ander werk verricht?'
'Jazeker.' zei Henry opgewekt. 'Ik heb een paar jaar geleden het werk van mijn oom voor een jaar overgenomen, hij bestuurde een vesting en ik heb hem voor een jaar vervangen. En ik kan paardrijden.' Er werd gelachen. Opnieuw een bordje.
'Waar zijn uw vrouw en kind?'
'Die zijn nog bij mijn oom. Mijn zoon komt weldra deze kant op, als ik deze baan als voorzitter krijg.'
'En uw vrouw?'
'Zij is helaas niet in goede gezondheid om zo'n verre reis te maken. Ik zal vrees ik moeten wachten tot het voorjaar.'
'Ik weet genoeg, dank u.' Opnieuw ging een bordje omhoog.
'Hoe gaat u om met eventuele invloeden van de Kerk, pogingen tot onderdrukking en u dwingen om naar hen te gehoorzamen?'
'Niet. Ik ben een man van de Kerk, ik geloof in God en in het Woord. Ik zal goed zijn voor een geestelijke, maar als hij datgene doet wat u omschrijft, ben ik hard, mijn heer.' De man ging weer zitten. Nu stond de prins ineens op.
'Wat zou u doen tegen piraten, stropers, illegalen en andere ongewenste personen in ons land?'
'Ik zou, mijn beste prins, van mijn familie onze beste soldaten inzetten naast de soldaten van het leger en deze met harde hand bestrijden. Ik ken de kracht van mijn soldaten, maar denk dat het goed is ze samen te laten optrekken, zodat aan beide zijden hun beste kanten worden versterkt. Zo krijg je een super leger en zal snel deze piraten, stropers en wat voor tuig dan ook de kop indrukken.'
'Ik heb nog één vraag. Wat zou u doen als man van God, dienaar van de Kerk, als u een Domi met geweld ziet uithalen naar een onschuldig iemand, een kind of een oude man? Zou u met geweld antwoorden, of met gezag.' De prins ging zitten.
Henry dacht even na. Dit was een moeilijke vraag, en er schoten diverse opties door zijn gedachten. 'Ik zou mijn gezag gebruiken, de man meenemen naar de Paus en hem persoonlijk de biecht laten afnemen.'
'Ik dank u.' zei de prins. Zo werden er nog meer vragen gesteld over zijn ideeën van zorg, herstel van de arme wijken en het besteden van het geld dat bestemd was voor de wegen, de structuur, voor de versterking van de muren, de torens en de poorten van alle vestingen in Germania. Tenslotte stond de interim-voorzitter op, liep naar Henry en schudde hem de hand. Hij deed de tricourne af, deed de zwarte gewaad af en overhandigde die aan Henry. De koning kwam naar voren en zei:
'Kniel, heer Henry.' Henry deed dit. De koning legde zijn hand op diens hoofd en sprak: 'Voorwaar zult u nimmer Henry Van Zwijnenburg zijn, maar Heer en Adviseur des Konings. Vele taken zult u krijgen, vele taken zullen moeten worden verricht en voor elke goede daad zal u goed beloont worden.' De ring aan de hand van de koning gloeide felblauw en ineens riep de raad in koor: 'Mégarez! Hij is gezegend!'
'Sta op, Adviseur des konings, voorzitter van de koninklijke raad, wijze meester van Germania.' sprak de koning tenslotte en keerde terug naar zijn zetel.
Henry stond op, pakte het zwarte gewaad en deed hem aan. Hij zette de tricourne op en stapte weer op de spreekstoel. Hij pakte de zwarte hamer en tikte zacht op de spreekstoel. Het was een bescheiden zacht tikje, maar het klonk als een felle slag die ver door klonk. Henry keek licht geschrokken, legde de hamer neer en sprak:
'Ik zie hier het volgende agendapunt, aangeleverd door zijne koninklijke hoogheid prins Willem de Vijfde.' Henry stapte weg van de spreekstoel en de prins nam diens plaats in.
'Mijne heren,' sprak de prins, 'op mijn missie naar de Noordelijke boerendorpen, ben ik een vreemde situatie terecht gekomen. Een situatie met vreemdelingen. Drie clandestiens spraken met elkaar. Twee waren gekleed in zwarte gewaden met kappen, de andere had regionale kleding aan. Ik zal u een omschrijving van de twee vreemden: hun huid was donker, zo donker als de maanloze nacht en hun huid voelde aan als zacht leer. Het bloed wat uit hun levenloze lichamen stroomde was groen.' Er ging een schok door de zaal en diversen riepen "groen". Sommigen sprongen op om bezwaar te maken tegen de fantasie van de jonge prins. De prins stak zijn handen omhoog, het werd meteen stil en Willem V vervolgde: 'Dit is geen fantasie, mijne heren, want zeker honderdvijftig Bruggiaanse ruiters en hun bevelhebber Boris van Bockelhuysen hebben het zelf met eigen ogen gezien. En dan heb ik die vreemde die gekleed was in de Noordelijke stijl. Hij had vreemd warrig haar, geel-groene ogen en twee kleine slagtanden die uit zijn onderkaken staken. Op zijn kin had hij een vergroeiing, een botje dat eruit stak. Nooit eerder heb ik een viezer, stinkender wezen gezien. Opmerkelijk is wel te noemen dat zijn bloed gewoon rood was, en hij zichzelf Vildrain noemde. Hij schijnde een koopman te zijn, hoewel ik nergens koopwaar zag.' Henry stond op.
'En u heeft er niet aan gedacht hem mee te nemen voor verhoor?'
'Ik had het willen doen, heer Henry, maar hij beledigde mij, mijn vader en het land, en wist uit onze handen te ontvluchten. Het was dom om hem neer te schieten, maar de wetten van dit land zijn nou eenmaal zo: iemand die een prins, een koning beledigd, of wat voor insenuerende opmerking dan ook, krijgt de Doodstraf.'
'U komt dus de tijd verdoen met deze verhalen?' vroeg Henry met een scherpe opmerking. Er was iets vreemds aan Henry, vond de prins. Aangezien Henry heel nerveus begon te kijken toen hij de vreemde Vildrain beschreef. Alsof hij hem herkende.
'Ik ben nog niet klaar, waarde heer Henry.' zei Willem V en vervolgde: 'Vervolgens kwam er een brief binnen van Vader Gardon uit Badeldhân, waarin hij de volgende situatie schetste: in Dorburgh waren eerder deze week vijf gardisten van de westelijke muur waren geschoten. Vierkante vergiftigde pijlen hadden hen meteen uitgeschakeld. Samen met Domi Emmanuel ben ik er heen gegaan om de situatie in eigen ogen op te nemen, met de nabestaanden te praten en ik heb het volgende gezien en ervaren.
Ik liep over de Westelijke muur, waar de vijf gardisten zijn beschoten. Vanaf de overzijde zag het Duistere woud. Ik heb natuurlijk tijdens mijn menig verhalen gehoord, veel bijgeloof, andere interessante verhalen die waar lijken te zijn. Maar van alle verhalen stond ik verbaasd over een levend, donker volk aan de overkant. Ik zag diverse krijgers, gehuld in donkere wapenkleding en de twee doodgeschoten figuren liepen daar rond, alsof er niks gebeurd was. Ik moest denken aan een gesprek dat ik eerder gehoord had, over een verbond tegen de Mensheid.
'Is er werkelijk een dreiging, mijn prins?' vroeg een raadslid.
'Ik heb werkelijk geen idee, waarde meester,' zei de prins, 'Maar ik heb wel mijn vermoedens. Om hier meer over te weten te komen, zal ik gegevens moeten raadplegen in de Oude bibtliotheek. Aangezien die gesloten is, vanwege ongeoorloord gebruik en pogingen tot diefstal van Vijandelijke gegevens, vraag ik u of ik in de Oude bibliotheek naar bronnen mag zoeken.'
'De sleutel ervan is in handen van de voorzitter, net als zijn oordeel en antwoord.' zei een raadslid. Henry stond op en liep naar voren.
'Mijne heren, moeten wij nou werkelijk het woord van een twintig jarige kroonprins geloven, zonder het horen van getuigen? Is de kracht van de raad voorbij geschoten om direct het woord van deze prins te horen, zonder eerst na te gaan wat er fictie is en wat werkelijkheid?' De raad begon woest te protesteren, maar Henry greep de hamer en sloeg fel. 'Stilte! Ik heb een zoon van net tien, maar ik laat hem niet een raad voorgaan. Daar heb je adviseurs voor! En een gouvernante! Hemels! Donkere mannen, vreemde mensen met groen bloed en vergroeiingen! Wat een fantasie!' Hij richtte zich tot de gekleineerde prins: Nee, mijn prins, uw verzoek tot de Oude bibliotheek is bij deze afgewezen. U mag gerust van alles leren, wat u wenst, maar ik vind dat u dit onderzoek naar vreemde wezens, die overigens niet bestaan, moet staken.'
'Maar ik heb ze in eigen ogen gezien!' verwierp Willem V.
'Sire,' zei Henry tot de koning, 'wilt u alstublieft uw zoon tot de orde roepen?'
Willem V liet zijn schouders hangen, sprak tot de raad: 'Bedankt voor uw tijd en aandacht.' Hij boog kort voor hen, voor zijn vader en maakte een aarzelende buiging voor de Koninklijke adviseur en verliet de Raadszaal.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten