Intonatie:
Gwalahir; de vader Amnaro, de koning over de Elfen en voor de belangrijke queeste op weg gegaan naar het Woud der Geliefden (Alhasson).
Amnaro; de zoon van Gwalahir, gehuwd met Gwynion en in afwezigheid van zijn vader heerser over het Woud der Wijsheid (Pruysia).
Gwynion; gehuwd met Amnaro en heerseres over de poel der Wijsheid, die vele Elfen wijsheid schenkt.
Celedran; een gezant van de Goden van Valhalla en een magiër van de orde der Drana. Zijn werkgebied is het verbeteren van de communicatie tussen de volkeren van Arvalü.
Vader Eik; de aloude vader van de bomen, minnaar van Moeder Es en machtswever van Alhasson.
Moeder Es; de aloude moeder van de bomen, minnares van Vader Eik en machtswever van Alhasson.
Hoofdstuk 1 (Eerste versie) "Geschiedenisles"
Meester Hortis tikte op de lessenaar.
Zijn vijf leerlingen namen allen plaats op hun kussens, te midden van de grote bomen, in een ring waar zij zaten. Meester Hortis schraapte zijn keel.
‘En dan nu, klas, het derde deel van de geschiedenis der Elfen. Ik begin bij onze koning Gwalahir, die zoals jullie allen weten op een gezegende queeste is. Koning Gwalahir was onze eerste koning, die na de val der Elfen ons naar Pruysen leidde. Zijn vrouw, inmiddels niet meer in ons midden, vond de poel der Wijsheid. Hier vinden alle Elfen de wijsheid die zij nodig hebben om hier te leven. Sinds de vrouwe gestorven is, beheerst vrouwe Gwynion de poel. Maar goed, koning Gwalahir kreeg in de poel der Wijsheid een visioen, we weten niet wat hij zag, maar opmerkend genoeg vertrok hij kort na het bezoek van de poel. Niemand wist wat er in hem omging, zelfs zijn zoon niet, onze prins Amnaro. Hij heeft na die tijd een keer in de poel gekeken, maar zag niks gebeuren.´
´Ik hoorde dat er twijfels bestaan over de queeste van de koning.´ merkte een leerling op.
´Het is juist dat er twijfels zijn,’ gaf meester Hortis toe, ‘ of het nu de roddels, de speculaties of gewoon de keiharde waarheid is, weet ik niet. Ik heb ook berichten vernomen, die vermoeden dat onze koning niet meer onder ons is. Aangezien het Gwalahir zelf was die het lot der Elfen over zich liet vallen, door de Trap des Lichts te betreden. De Goden, zoals jullie eerder hebben gehoord, waren woest en vervloekten Gwalahir en de zijnen. De vloek die de Elfen kregen is jullie aller bekend.’
‘Natuurlijk.’ mompelde een stem, ‘een eeuwig leven zonder ziekte of sterven, tot de vele era’s voorbij zijn gegaan. ‘
‘Maar wat is zijn queeste dan?’ vroeg een andere leerling.
‘Dat is helaas niet aan mij bekend gemaakt, gewaardeerde leerlingen.’ Antwoorde Hortis spijtig toe. ‘Slechts de koning wist zijn ware doel. De prins…’
Er klonk een zware hoest uit de groep. Hortis keek naar zijn leerlingen en zag tussen hen een oude man zitten. Hij was gekleed in een grijze mantel met een grote grijze reizigershoed op. In zijn knokkelige handen hield hij een houten staf vast. Zijn grijze baard was lang verzorgt, maar de groene pupillen schoten vuur. Zijn stem was krachtig, maar licht korrelig.
‘Prins Amnaro weet niet veel meer, mijne Elfenvrienden, dan dat zijn vader op zoek is naar Alhasson.’
‘Wat is dat, meneer de grijze tovenaar?’ vroeg een leerling met zachte stem.
‘Alhasson wordt ook wel het Woud der Geliefden genoemd.’ Vertelde de grijze tovenaar. ‘Meester Hortis, kent u het Lied der Geliefden?’ Hortis schudde zijn hoofd. ‘Hemel! En ik dacht ik oud was. Mijn waarde Elfen, ik zal u een lied zingen, die vele eeuwen geleden gezongen werd in een hal waar ik vaak kwam.’ Hij schraapte zijn keel en zong met zachte melodische stem:
Vader Eik en Moeder Es,
de al Ouden van deze wereld.
Samen zijn zij één, de grootsten
onder de bomen
en de levenden.
Hun lied versterkt,
brengt samen
en verheugd.
Bomen groeien,
planten bloeien
en dieren roepen:
Vader Eik en Moeder Es!
De ouders van alle Levenden op aard',
zingen en behouden,
wat hun lief is.
Hun lied maakt Mensen blij,
Dwergen ijverig
en Elfen vroom.
Mogen de Goden hen Goden noemen?
Het zijn Vader Eik en Moeder Es,
de Ouden van Al.
De oude man zuchtte. ‘Dit lied werd het Lied der Geliefden genoemd, bij de Mensen beter bekend als het Lied van Vader Eik en Moeder Es. Jullie koning is op zoek naar Alhasson, de laatst bekende woonplaats van Vader Eik en Moeder Es.’
‘Is het echt waar? Vroeg Hortis. Er kwam geen antwoord en keek in de richting van de oude grijze man. Waar de man zou behoren te zitten, was slechts een lege plaats over. Voor Hortis er erg in had, werd hij door zijn leerlingen met velerlei vragen bestookt.
Amnaro keek van een afstandje toe en draaide zich om naar Celedran, de grijze tovenaar. De oude man, schijnbaar niet aangetast door de tand des tijd, was nog fit genoeg. De boodschappers van de Goden moesten vaak vermomd te werk gaan en drie van hen hadden zich verkozen om zich te vermommen als een oude man. Celedran was de grijze van de Drana, die boodschappen bracht tussen Mens, Elf en Dwerg. Zijn specialiteit waren magie en beheersing van de vier elementen.
‘Het was een vreemde keuze om Hortis te onderbreken in zijn les programma, Celedran. Natuurlijk wilde u, als expert in de geschiedenis, vele donkere bladzijden gaan ophoesten.’
‘Neen, prins Amnaro. Ik wilde slechts een twijfel wegnemen en hoop ervoor in de plaats leggen, begrijpt u?’
‘U weet net zo goed als ik dat dit een fantasie is.’ Verwierp de Elfenprins fel.
‘Uw vader is niet dood, prins.’ Zei de tovenaar sussend. ‘Uw geest voelt nog zich nog steeds verbonden met uw vader, die hier ergens op Arvalü rond zwerft.’
‘Is het mogelijk dat het visioen van mijn vader te maken heeft met de plotselinge migratie van de Shiul, Celedran?’
‘En dat hij daarom op weg is gegaan? Zeker ben ik er niet van, maar het zou goed kunnen. De dingen die Goden laten zien in een visioen is soms overweldigend, zelfs voor een Elf. Daarom komt het zelden voor dat men hier in de poel een visioen krijgt, rechtstreeks van de Goden.’
‘Wat moet ik doen, o wijze?’ vroeg de prins en legde zijn hand op Celedran’s schouder.
‘Wat u moet doen, is uw krachten sparen en rusten. Spoedig zal de tijd komen eer u een bericht krijgt. Veel zal veranderen, veel zal blijven, maar velen zullen twijfels laten vallen voor hoop.’ Celedran stapte op. ‘Als ik terug kom, Amnaro, heb ik goed nieuws. Dat beloof ik.’
En de oude grijze tovenaar was verdwenen. Amnaro keerde zich om en keek weer naar meester Hortis, die zijn best deed de spervuur aan vragen zo goed als hij kon te beantwoorden. Grinnekend liep Amnaro weg van de veranda.
Hoofdstuk 2 "Een man van goud"
Mattheas keek omhoog.
De Shiuljager zat gehurkt om zich heen te kijken. Nauwlettend hield hij het bosje sparren in de gaten, die ten zuidwesten van hem stonden. Achter dat bosje lag een labyrint van rotsen, pieken en kloven. De Germanus noemde dit labyrint de Trollenbergen. Vele soorten Trollen, enkele verwant aan de Dwergen, leefden hier in deze regio en overvielen vaak reizigers. Zelden kwam het voor dat een Trol, meestal verdwaald, naar de bewoonde gebieden rond Badeldhân kwam, om een paar stuks vee mee terug te nemen.
Mattheas was al een paar dagen op weg, op zoek naar een verdwaalde Trol, Thum-Sist genaamd, die een hele veestapel had geroofd. De jager herinnerde zich een gesprek eerder deze week met de fatsige burgemeester van Badeldhân:
“Grijp dit venijnig beest in zijn kladden, slacht het af, mijn beste.” Sprak de burgemeester op ferme toon. “Laat boer Gèrnsens hier niet de dupe van worden. Ga en grijp.” De burgemeester had gesproken alsof hij een koning was, maar de boodschap was duidelijk. Vooral vanwege de beloning liet Mattheas zichzelf in gevaar brengen.
Een tak kraakte verderop. Hij spitste zijn oren en luisterde naar de zware voetstappen. Naar het gekraak te horen was het een kleine berg-Trol. Van de verschillende soorten, wist Mattheas uit ervaring dat grot-Trollen het grootst waren en kloof-Trollen het kleinst. Er klonk geloei van koeien en kort erna het misselijkmakend gekraak van een ruggenwervel.
Mattheas Silverburg, kleinzoon van Shiulvrouw Ashif, zoon van Johan Silverburg en de half-Shiul Hifra, had de gave van het jagen in zich. Hij kon geluidloos rennen, indien nodig zich verhullen zonder zich te verstoppen, maar vooral zijn gehoor en zicht waren zijn voordelen. Hij hoorde op vele mijlen afstand alles en kon ook veel overzien, meer dan een normaal Mens. Door zijn buitengewone vreemde kledij, een lange zwarte lange jas, een hoed en een heel wapenarsenaal onder zijn jas, zorgde ervoor dat een volbloed Shiul hem moeilijk zagen.
Hij rechtte zijn rug, trok zijn kleine kruisboog met vier automatisch geladen pijlen en liep stilletjes naar voren. Naarmate hij dichterbij kwam, hoorde hij meer zware voetstappen. Het was geen verdwaalde Trol, dacht Mattheas, het was een roofoverval. Achter een grote spar bleef hij staan.
Op slechts tien meter afstand stonden twee bergTrollen, beide ongeveer twee-en-halve meter lang. Ze waren gedrongen en droegen als wijze van wapen een dikke boomstam met stronk. De kruin was eraf gebeten en gerukt. De stam vertoonde al verschillende sporen van geweld en hier en daar zat bloed op de wortels.
‘Vosi,’ gromde de ene Trol naar de andere, ‘laat vee over! Zijn voor Hippor! Niet voor dwaas Vosi!’
‘Zwijg, jij dwaas Mallot!’ bulderde de andere. ‘Ik stil wezen tijdens terug gaan naar Hippor! Als jij niet luisteren, jij voelen met wapen!’ De twee Trollen stonden nu tegenover elkaar, beide hun wapens getrokken.
De eerste slag van de Trollen viel hard. De ene Trol sloeg hard toe en verbrijzelde het hoofd van de ander. Kreunend zakte die ineen en bleef liggen.
Mattheas keek zwijgend toe, hoe de ene Trol over de ander heen boog en met een krachtige ruk de nek brak. Vervolgens liep de Trol weg en ging achter het vluchtende vee aan.
De jager schoot uit zijn schuilplaats en achtervolgde de berg-Trol. De Trol sjokte voort, terwijl de halve boomstam over de grond sleepte. Mattheas richtte zijn kruisboog op en vuurde twee pijlen af, die de Trol net achter z’n oren raakte. Van schrik liet de Trol zijn knuppel los en greep woedend naar zijn verwonde oren. Brullend van pijn beukte de Trol op zijn hoofd in.
Opnieuw schoot Mattheas twee pijlen af en die raakten de Trol vol in zijn neus. Het bloed spoot eruit en de Trol kermde.
Ineens kreeg de Trol Mattheas in het zicht. Hij gromde en grauwde vloeken naar de jager. De Trol schoot vooruit, klauwend en tierend, alles wat los en vast zat weg smijtend.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten